Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond; en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende verstrekte in januari 2008 een lening van €131.000 aan een vennootschap, die later failliet ging. De Inspecteur weigerde het verlies op deze lening fiscaal in aftrek te nemen, stellende dat de lening onzakelijk was. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, hetgeen belanghebbende in hoger beroep aanvocht.
Het Hof oordeelde dat de bewijslast bij de Inspecteur ligt om aan te tonen dat de lening onzakelijk is. Gezien het ontbreken van zekerheden, een aflossingsschema en de slechte financiële positie van de vennootschap, is de lening onzakelijk. Het feit dat belanghebbende zelf had gezocht naar externe financiers maar deze niet vond, legt geen zwaardere bewijslast op de Inspecteur.
Verder verwierp het Hof het betoog van belanghebbende dat het verlies op de lening in mindering kan worden gebracht op het inkomen uit werk en woning, omdat de Hoge Raad de lijn uit het arrest BNB 2012/78 voor de terbeschikkingstellingsregeling niet heeft verlaten. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het hof binnen twee jaar na het instellen van hoger beroep uitspraak deed.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.