ECLI:NL:GHSHE:2017:3642

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 augustus 2017
Publicatiedatum
17 augustus 2017
Zaaknummer
16/03452
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 7:15 AwbArt. 20 AWRArt. 110 VWEUArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM en belastingrente met beoordeling verdedigingsbeginsel en EU-recht

Belanghebbende B.V. heeft op 20 november 2013 aangifte gedaan voor BPM bij registratie van een geïmporteerde personenauto, waarbij gebruik werd gemaakt van koerslijst X-Ray. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag BPM op van € 578 met € 15 belastingrente, gebaseerd op koerslijst Autotelex Pro. Belanghebbende maakte bezwaar en kwam in beroep bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Hof.

Het geschil betrof onder meer of het unierechtelijke verdedigingsbeginsel was geschonden doordat geen mondelinge hoorzitting was gehouden en of de naheffingsaanslag na het belastbare feit in strijd was met artikel 110 VWEU Pro. Het Hof oordeelde dat het verdedigingsbeginsel niet verder gaat dan het recht om schriftelijk te reageren op het voornemen van de Inspecteur en dat geen verplichting bestaat tot een mondeling onderhoud. Daarnaast verwierp het Hof het beroep op artikel 110 VWEU Pro, stellende dat het systeem van BPM-heffing en naheffing gerechtvaardigd is en niet leidt tot discriminatie.

Het Hof stelde de naheffingsaanslag vast op € 201 en de belastingrente dienovereenkomstig. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de kosten van bezwaar en procedure aan de zijde van belanghebbende. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en het beroep bij het Hof toegewezen.

De uitspraak bevestigt dat schriftelijke communicatie voldoet aan het verdedigingsbeginsel in belastingzaken en dat naheffing na het belastbare feit binnen het EU-recht is toegestaan. Tevens benadrukt het Hof het belang van een correcte proceskostenvergoeding bij gegrond verklaard hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en belastingrente worden verminderd en de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 16/03452
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 mei 2016, nummer BRE 15/1837, in het geding tussen
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur,
betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking belastingrente.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 30 september 2014, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 578 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslag). Voorts is bij beschikking belastingrente ten bedrage van € 15 in rekening gebracht. Het daartegen gemaakt bezwaar is bij uitspraken van de Inspecteur ongegrond verklaard.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503.
De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.
1.4.
Op grond van artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.5.
De zitting heeft plaatsgehad op 5 juli 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mevrouw [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] .
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en, door tussenkomst van de griffier, aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht te zijn voorgedragen.
1.7.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:
2.1.
Belanghebbende heeft op 20 november 2013 aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de registratie van een personenauto, te weten een [automerk] (VIN eindigend op [nummer] ), afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Het aangegeven bedrag aan BPM is door belanghebbende berekend op € 2.939. Belanghebbende heeft bij de aangifte gekozen voor het gebruik van de koerslijst X-Ray.
2.2.
Met dagtekening van 30 september 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 578 en daarbij € 15 belastingrente in rekening gebracht. De Inspecteur heeft gebruik gemaakt van de koerslijst Autotelex Pro.

3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Is het verdedigingsbeginsel geschonden doordat de Inspecteur belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag niet mondeling heeft gehoord?
2. Is een ná het belastbare feit opgelegde naheffingsaanslag in strijd met artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)?
Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Ter zitting zijn partijen tot overeenstemming gekomen over de hoogte van de naheffingsaanslag indien bovenstaande vragen ontkennend worden beantwoord. Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 201.
3.2.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:
Partijen:
Wij hebben overeenstemming bereikt over de hoogte van de naheffingsaanslag, voor het geval de formele grieven van belanghebbende niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden. De naheffingsaanslag moet in dat geval worden verminderd tot € 201.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 201.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Verdedigingsbeginsel
4.1.
Het Hof is van oordeel dat het unierechtelijke verdedigingsbeginsel hier niet is geschonden. Het verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat belanghebbende als geadresseerde van het besluit haar opmerkingen kenbaar kan maken over het haar voordien kenbaar gemaakte voornemen van de Inspecteur. Deze regel heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Met name beoogt deze regel, ter verzekering van de effectieve bescherming van de belastingplichtige, deze laatste in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten (zie Hoge Raad 4 december 2015, nr. 12/02876, ECLI:NL:HR:2015:3467, BNB 2016/65).
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur daaraan heeft voldaan door toezending van de vooraankondiging naheffingsaanslag BPM van 7 februari 2014 naar belanghebbende waarbij aan belanghebbende de gelegenheid is geboden om te reageren vóór 25 februari 2014. Anders dan belanghebbende meent is er geen rechtsregel die de Inspecteur verplicht belanghebbende expliciet voor een gesprek – een mondeling onderhoud – uit te nodigen.
Een na het belastbare feit opgelegde naheffingsaanslag
4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden, in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. Het Hof verwerpt dit standpunt op dezelfde gronden als overwogen in de uitspraak van 7 januari 2016, nr. 15/00022, ECLI:NL:GHSHE:2016:14.
Het Hof heeft in voormelde uitspraak als volgt geoordeeld:
“4.3. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat het opleggen van een naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van artikel 110 VWEU Pro. Er is sprake van discriminatie indien feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld. Of de aankoop van een binnenlandse, reeds geregistreerde, gebruikte auto feitelijk en rechtens vergelijkbaar is met de aankoop van een geïmporteerde gebruikte auto die nog niet is geregistreerd, dient mede te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden die van belang zijn voor de belastingheffing. Voor de heffing van BPM wordt aangesloten bij de eerste registratie van het voertuig in het kentekenregister. Inherent hieraan is dat wanneer wordt geconstateerd dat te weinig BPM is voldaan, deze wordt nageheven bij degene die aanvankelijk de verschuldigde BPM ter zake van de registratie heeft voldaan. Deze nageheven BPM rust dan ook op de auto en zal – voor zover niet afgeschreven – worden doorberekend aan een volgende koper. In zoverre kan niet worden gezegd dat op een reeds geregistreerde gebruikte auto een lagere belasting drukt dan op een geïmporteerde gebruikte auto.
Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat er sprake is van een verschil in formeelrechtelijke bepalingen, als gevolg waarvan degene die een geïmporteerde auto laat registreren, geconfronteerd wordt met de onzekerheid van mogelijke naheffing, is dit inherent aan het systeem dat degene die de auto laat registreren, de belasting is verschuldigd en bij te lage voldoening van de belasting het risico loopt dat dit wordt gecorrigeerd door middel van het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor zover dit al als een verschil in behandeling moet worden gezien, is dit gerechtvaardigd vanuit het systeem van heffing van de BPM.
4.4.
Voor zover belanghebbende met zijn stelling heeft bedoeld dat nimmer kan worden nageheven nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, faalt deze stelling eveneens. De bevoegdheid tot het naheffen van de te weinig geheven of betaalde BPM vloeit immers voort uit artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Op grond van artikel 20, derde lid, AWR vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag pas door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggave is verleend. Uit het door belanghebbende aangehaalde arrest (Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 12/00400, ECLI:NL:HR:2013:64), waarin in geschil was of naheffing ter zake van de registratie van een personenauto ook kan plaatsvinden vóór de registratie van die auto, kan evenmin worden afgeleid dat geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd ná het belastbare feit.”
Het tegen die uitspraak instelde cassatieberoep is ongegrond verklaard bij arrest Hoge Raad 12 mei 2017, nr. 16/00507, ECLI:NL:HR:2017:856, onder verwijzing naar artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Slotsom
4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 201 en dat de beschikking belastingrente dienovereenkomstig moet worden verminderd.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4.
Nu de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur worden vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 331 respectievelijk € 503 te vergoeden.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
4.5.
Belanghebbende heeft voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar.
4.6.
In artikel 7:15, lid 2 en lid 3, van de Awb is bepaald dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan worden vergoed uitsluitend als (1) daar door belanghebbende om wordt verzocht en (2) het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In artikel 7:15, lid 3, van de Awb is bepaald dat (1) het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar beslist en (2) de Inspecteur op het verzoek beslist bij de uitspraak op het bezwaar.
4.7.
Het Hof is van oordeel dat aan voormelde voorwaarden wordt voldaan en dat belanghebbende recht heeft op een tegemoetkoming van de kosten van het bezwaar. Het Hof stelt deze kosten op 2 (punten) x € 246 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 492.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.9.
Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) voor de procedure bij de Rechtbank, en op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) voor de procedure bij het Hof, in totaal op € 1.980.
4.10.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;
  • vermindert de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 201;
  • vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 834 vergoedt;
  • veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 492, en
  • veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.980.
Aldus gedaan op 17 augustus 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
een dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.