Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 januari 2016, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. De zaak betrof een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, een conclusie van repliek van belanghebbende en een conclusie van dupliek van de Staatssecretaris. Na beoordeling van de middelen concludeerde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad oordeelde dat er geen gronden waren voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter, samen met raadsheren Punt en Van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2017.