Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte van [appellant] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De werknemer trad in 2004 in dienst als timmerman en meldde zich in mei 2013 arbeidsongeschikt. Tijdens het re-integratieproces stelde de werkgever een plan van aanpak bij, waarin een sollicitatieverplichting werd opgenomen. De werknemer stemde hiermee niet in, omdat hij eerst een computercursus en sollicitatietraining wilde volgen. De werkgever stelde de loonbetaling stop toen de werknemer het plan niet ondertekende.
De werknemer vorderde onder meer betaling van achterstallig loon en ongedaanmaking van de afschrijving van verlofuren tijdens zijn arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter wees deze vorderingen af, wat in hoger beroep werd bevestigd. Het hof oordeelde dat de sollicitatieverplichting binnen het plan van aanpak op grond van artikel 7:660a lid 1 onder b BW redelijk was en dat de werkgever terecht een beroep deed op artikel 7:629 lid 3 sub e BW Pro om de loonstop te rechtvaardigen.
Het hof vond dat de werknemer onvoldoende meewerkte aan het re-integratieproces en dat de werkgever gerechtvaardigd was in haar handelen, mede gezien de eerdere procedurele verhoudingen tussen partijen. De vorderingen van de werknemer werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bevestigt de loonstop en wijst de vorderingen van de werknemer af wegens onvoldoende medewerking aan het re-integratieplan.