Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het arrest van 5 april 2016 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv Pro (schorsing tenuitvoerlegging vonnis);
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de bij brief van 19 mei 2017 door mr. Van der Salm toegezonden akte houdende productie (productie 19);
- de fax van 30 mei 2017 van mr. Van der Salm met de door de griffie van het hof opgevraagde ontbrekende of onleesbare pagina’s 3 tot en met 6 van de memorie van antwoord, productie 14 bij de dagvaarding in eerste aanleg en de pagina’s 87, 103-104, 124-127 van de conclusie van antwoord;
- de akte houdende productie van 1 juni 2017 van mr. Jacobs (productie 3);
- het pleidooi van 1 juni 2017, waarbij zowel mr. Jacobs als mr. Van der Salm pleitnotities hebben overgelegd en waarbij mr. Van der Salm voornoemde akte houdende productie (productie 19) in het geding heeft gebracht;
- het H10-formulier van geïntimeerde van 13 juni 2017, waarbij arrest is verzocht.
6.De beoordeling
Aan deze overeenkomst zit het volgende individueel werkplan.
behandeldoelen en afspraken na te komen.
- hard tikken en kloppen op de verwarmingsbuizen zowel overdag alsmede in de avond en in de nacht.
(…) Gezien het feit dat (…) sprake is van psychiatrische problematiek gerelateerd aan het veroorzaken van deze overlast is gezocht naar passende hulpverlening (…). Mevr. [appellante] heeft zich aangemeld bij [hulpverleningsinstantie] (…)”.
Uit de aantekeningen/registraties van [hulpverleningsinstantie] (productie 3 bij akte houdende productie aan de zijde van [appellanten] ) en de rapportage inzake het MP-traject blijkt dat [appellanten] pas op 5 september 2012 in de woning zijn gaan wonen (volgens [geïntimeerde] op 9 augustus 2012) en in de eerste maanden diverse keren melding hebben gemaakt van een gehorige woning en overlast van de toenmalige buren. [appellanten] hebben daarmee dus gehandeld overeenkomstig de gemaakte afspraken. [geïntimeerde] heeft voorgesteld om een bureau in te schakelen om onderzoek te doen naar geluidsoverlast, waarbij de kosten in rekening zouden worden gebracht bij de partij die door de uitkomst in het ongelijk zou worden gesteld, maar [appellanten] zijn hiermee niet akkoord gegaan omdat zij dit uit financieel oogpunt niet konden. [appellanten] hebben zich vervolgens met een klacht over geluidsoverlast tot de huurcommissie gewend, dus opnieuw overeenkomstig de afspraken zich niet tot de buren. De betreffende buren, die volgens [appellanten] overlast veroorzaakten, zijn daarna, medio februari 2013 verhuisd.
er zijn ook geen meldingen van overlast door hun in de nieuwe woonomgeving(…)”. En in een aantekening van 4 juni 2013 is aangegeven “(…)
MP traject wordt hoogstwaarschijnlijk gestopt daar er geen overlast meer is(…)”.
In het onderhavige geval hebben [appellanten] vanaf 2002 gehuurd van [geïntimeerde] ; de rechtsverhouding tussen partijen betrof steeds die van huurder(s) en verhuurder. Vanaf juli 2012 werd de reguliere huurovereenkomst gecombineerd met een samenwerkingsovereenkomst (MP-traject), waarbij partijen in de tekst van de verschillende overeenkomsten steeds tot uitdrukking hebben gebracht dat deze met elkaar verbonden waren, maar waarbij het ontvangen van zorg/begeleiding niet voorop stond maar het kunnen blijven beschikken over woonruimte op een wijze die voor [geïntimeerde] , [appellanten] en voor de omgeving aanvaardbaar was. Daar komt bij dat -zoals hierboven ook is aangegeven- de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, terwijl de samenwerkingsovereenkomst voor minimaal 1 jaar is gesloten.