Uitspraak
5.Het tussenarrest van 21 juni 2016
6.Het verdere verloop van de procedure
7.De verdere beoordeling
8.De beslissing
in conventieen opnieuw rechtdoende:
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de toepassing van een boetebeding in een aannemingsovereenkomst voor de bouw van stallen en de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente. [Appellant] had de vennootschap opdracht gegeven voor schoonmaakwerkzaamheden en het vervangen van scheidingswanden in een mestput vóór 1 april 2010. De vennootschap stuurde een onderaannemer zonder deugdelijke reden weg, wat leidde tot vertraging.
Het hof onderzocht uitvoerig de bewijsvoering, waaronder getuigenverklaringen, en concludeerde dat slechts een deel van de vertraging aan de vennootschap kon worden toegerekend. De vertraging door het niet tijdig schoonmaken van de mestput was niet aan de vennootschap toe te rekenen, terwijl de vertraging door de scheidingswanden wel voor haar rekening kwam. De vertraging door het wegsturen van de onderaannemer werd eveneens aan appellant toegerekend.
Daarnaast oordeelde het hof dat de aannemingsovereenkomst een handelstransactie betreft in de zin van de EU-richtlijn 2011/7/EU en artikel 6:119a BW, waardoor de vennootschap aanspraak heeft op wettelijke handelsrente. Het hof vernietigde eerdere vonnissen en veroordeelde appellant tot betaling van het openstaande bedrag vermeerderd met wettelijke rente, verminderd met de reeds betaalde boete en bedragen.
De proceskosten werden deels gecompenseerd en deels aan appellant opgelegd. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van €118.796,86 vermeerderd met wettelijke handelsrente, verminderd met een boete van €15.200 en reeds betaalde bedragen.