Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3893006 \ CV EXPL 15-1836)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en elf producties;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak ging het hoger beroep over een vordering van [appellante] tegen [geïntimeerde] tot betaling van openstaande creditcardbestedingen, een contractuele boete en buitengerechtelijke kosten. De kern van het geschil betrof de vraag of de sommatiebrief, die een betalingstermijn bevatte van “binnen veertien dagen na heden”, voldeed aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
De kantonrechter had het verweer van [geïntimeerde] ten aanzien van de hoofdsom en boete verworpen, maar de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten afgewezen omdat de aanmaning niet voldeed aan de wettelijke eisen. [Appellante] stelde in hoger beroep dat de termijn wel correct was en verzocht om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Het hof verwees naar het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704), waarin is vastgesteld dat de betalingstermijn moet aanvang nemen de dag na ontvangst van de brief en dat de formulering “binnen veertien dagen na heden” niet voldoet. Het hof oordeelde dat de grieven van [appellante] ongegrond zijn en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter voor zover het de vergoeding van buitengerechtelijke kosten betreft.
Het hof veroordeelde [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep en stelde die aan de zijde van [geïntimeerde] nihil vast. De beslissing omtrent de contractuele boete bleef buiten beschouwing omdat deze niet in hoger beroep ter discussie stond.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vergoeding van buitengerechtelijke kosten af wegens een onjuiste betalingstermijn in de veertiendagenbrief.