Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Eindhoven,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een huurder en een verhuurster over illegale onderverhuur van woonruimte en de toepassing van een contractuele boete. De huurder had zonder schriftelijke toestemming gedeelten van de woning onderverhuurd, waarop de verhuurster een boete en afdracht van onderhuurinkomsten vorderde.
De kantonrechter oordeelde dat de huurder illegaal had onderverhuurd en veroordeelde hem tot betaling van een bedrag aan de verhuurster, inclusief een boete. Het hof bekrachtigde dit vonnis en verwierp het beroep op matiging van de boete. De huurder stelde in cassatie dat het hof had moeten toetsen of het boetebeding een oneerlijk beding was volgens de EU-Richtlijn 93/13/EEG.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst of het boetebeding oneerlijk was binnen de grenzen van de rechtsstrijd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van de ambtshalve toetsing aan de Richtlijn.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor ambtshalve toetsing van het boetebeding aan de EU-Richtlijn oneerlijke bedingen.