Belanghebbende is eigenaar van een recreatiepark bestaande uit meerdere kavels, waarvan 36 kavels woonvoorzieningen hebben maar geen opstal. De vraag was of deze kavels als woningen in aanbouw moeten worden aangemerkt voor de onroerende-zaakbelasting (ozb).
Het hof oordeelt dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad een woning in aanbouw pas bestaat vanaf het moment dat feitelijke bouwkundige werkzaamheden zijn aangevangen. Aangezien op de kavels geen bouwsels staan en geen bouw is gestart, zijn deze geen woningen in aanbouw. Hierdoor dient het recreatiepark niet in hoofdzaak tot woning.
Vervolgens is beoordeeld of de waarde van de recreatiewoningen (chalets en stacaravans) moet worden vrijgesteld op grond van artikel 220e van de Gemeentewet. Het hof volgt de Hoge Raad dat deze recreatiewoningen naar aard en inrichting als woningen moeten worden aangemerkt, ook al is permanente bewoning niet toegestaan.
Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de heffingsgrondslag moet worden verminderd met de waarde van de recreatiewoningen, maar dat het recreatiepark als geheel niet als woning geldt. Het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar worden ongegrond verklaard, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.