Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het verzoekschrift ex artikel 7:683 BW Pro tevens inhoudende verzoeken ex artikel 7:686A lid 3 met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 10 juli 2017;
- het verweerschrift ex artikel 7:683 BW Pro in principaal appel en tevens inhoudende incidenteel beroep in incidenteel appel met bijlagen, ingekomen ter griffie op 25 september 2017;
- het verweerschrift in incidenteel appel en tevens overlegging stukken met producties, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2017;
- een brief namens [appellante] van 16 oktober 2017 met bijlage 12, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2017;
- een tweede brief namens [appellante] van 17 oktober 2017 met bijlagen 13 tot en met 16 producties, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2017;
3.De beoordeling
“verslag na overleg met de curatieve sector”van 6 augustus 2015 als prognose vast:
“op mijn vraag of op langere termijn het werken met de doelgroep binnen de forensische psychiatrie nog gewenst is, bij de gestelde diagnosen en na (succesvolle) behandeling, kon op dit moment nog geen antwoord gegeven worden. Dit zal op basis van de uitslag van het onderzoek, behandeling en (op mijn verzoek) aanvullend overleg met de specialist geduid worden. Over de lange termijn prognose is derhalve nu met zekerheid nog geen uitspraak te doen.”
“werknemer de komende 26 weken zal herstellen voor de bedongen arbeid”.
“verslag na overleg met de curatieve sector”van 22 september 2015 dat er sprake is van een terugval in medisch beeld en belastbaarheid waardoor [appellante] de re-integratie heeft moeten staken.
“Er zijn uitslagen bekend van uitgevoerde onderzoeken. Deze uitslagen in combinatie met de huidige achteruitgang resulteren in nieuw intern overleg en afspraken met behandelaar en specialist waarin type en start van behandeling nog overwogen zullen worden. Medio oktober zal hier meer bekend zijn”.
“Uit de door u overgelegde stukken van de bedrijfsarts en het arbeidsdeskundige onderzoek blijkt dat werknemer momenteel niet geschikt is voor de eigen werkzaamheden. Uit het deskundigenadvies blijkt echter dat het aannemelijk is dat deze situatie in de komende 26 weken zal wijzigen en werknemer het eigen werk binnen 26 weken weer kan verrichten. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag. Uw bedrijfsarts is van mening dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat werknemer binnen 26 weken hersteld zal zijn voor haar eigen werkzaamheden. Daarnaast komt uit de informatie van de bedrijfsarts naar voren dat de behandelaren niet met zekerheid kunnen zeggen of werknemer op de lange termijn met de doelgroep zou kunnen werken. Wij vinden dat hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat werknemer niet binnen 26 weken zal herstellen voor het eigen werk. Uit het door ons gevraagde deskundigenadvies komt een ander standpunt naar voren. Al met al zijn er argumenten aangedragen die elkaar tegen spreken. Vast staat wel dat uw bedrijfsarts geen duidelijk standpunt inneemt aangaande herstel binnen 26 weken. De arbeidsdeskundige geeft echter stellig aan dat er binnen 26 weken herstelmogelijkheden zijn. Het deskundigenadvies achten wij daarom doorslaggevend. Temeer daar werknemer ook van mening is dat herstel op korte termijn mogelijk is. (..). Aangaande het tijdstip voor eventueel herstel willen wij opmerken dat op het moment van beslissen op de ontslagaanvraag aannemelijk moet zijn dat herstel binnen 26 weken niet mogelijk is.(..)”.
“Behandeling blijft een belangrijke voorwaarde om tot herstel en re-integratie te komen. Ik verwacht geen mogelijkheden voor terugkeer in eigen werk binnen het komende half jaar, gezien de huidige medische situatie, belastbaarheid en nog te volgen behandeling. Aanvullend verwijs is naar mijn eerder oordeel in april/mei 2015. Destijds was mijn verwachting, dat zij ook niet binnen een half jaar voldoende zou kunnen herstellen. Dit blijkt nu uit de verstreken tijd, waarbij er nog geen verbetering is van ziekte (gestelde diagnosen) en belastbaarheid. Er blijven ernstige bepekringen in psychische belastbaarheid en persoonlijk functioneren. Indien medische toelichting gewenst is, kan overleg met mij volgen, of kan ik de medische correspondentie verstrekken.”.
“nog niet te duiden”.
“ik heb (..) begrepen dat het UWV nog een aanvullende toelichting wenst op mijn eerder opgestelde oordeel of dat er enige onduidelijk is ontstaan over de opgestelde rapportages en in het bijzonder rondom de prognose richting herstel. (..) In 2014 heb ik eerder een dergelijk actueel oordeel opgesteld en prognose genoemd, waarin ik geen herstel binnen 26 weken verwachte en twijfels had over de mogelijkheid om terug te keren in de eigen functie. We zijn inmiddels een jaar verder en samenvattend is de belastbaarheid ten opzichte van vorig jaar niet verbeterd en ten tijde van opstellen van de recente verslagen. Deze lijkt eerder verslechterd. Hierbij past dan ook een onveranderde prognose. De prognose is gebaseerd op herhaalde contacten, waarvan de laatste van 6 januari 2016 (per abuis in het verslag de datum van 13-10-2015 overgenomen van de consultdatum hiervoor) en de hierna op 10 februari 2016 ontvangen correspondentie van de behandelaar”.