Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
8.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 10 mei 2016;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van Veolia van 21 juli 2016;
- het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor aan de zijde van [appellant] van 28 september 2016;
- de memorie na enquête en contra-enquête van Veolia
- de memorie na enquête en contra-enquête van [appellant] .
9.De verdere beoordeling
[plaats] een aanrijding heeft plaats gevonden tussen de door [appellant] bestuurde bus en een door een meisje bestuurde fiets. Beide getuigen verklaren dat de bus van Veolia, die zoals later bleek bestuurd werd door [appellant] , bij het naar rechts afslaan een fietser heeft geraakt. Dat de beide getuigen anders verklaren over met welk deel van de bus de fietser werd geraakt ( [getuige 2] : met het achterwiel van de bus werd het voorwiel van de fiets geraakt; [getuige 1] : met rechter zijkant van de bus werd het wiel van de fiets van het meisje geraakt) en over het al dan niet vast zitten van het fietswiel onder de bus (wat [getuige 2] wel en [getuige 1] niet heeft verklaard) doet niet af aan de constatering dat beide getuigen in elk geval wel hebben gezien dat de bus de fiets van het meisje raakte.
Op het stationsplein heb ik toen ik de chauffeur aansprak gevraagd waarom hij was doorgereden. Hij zei toen dat het meisje maar had moeten uitkijken (…)”