ECLI:NL:GHSHE:2018:2684

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 mei 2018
Publicatiedatum
20 juni 2018
Zaaknummer
200.227.997_01 H afwijzing
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 222 RvArt. 209 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herstel van arrest wegens vermeende kennelijke fout

In deze zaak verzocht appellant het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om een kennelijke fout in het arrest van 15 mei 2018 te herstellen. Appellant betoogde dat de rolraadsheer ten onrechte had vastgesteld dat het recht om de memorie van grieven te nemen was vervallen en dat een akte van niet-dienen was verleend. Hij verwees naar een andere procedure waar een vergelijkbare situatie anders was beoordeeld.

Geïntimeerde voerde verweer en stelde dat er geen sprake was van een kennelijke fout zoals bedoeld in artikel 31 Rv Pro die eenvoudig kon worden hersteld. Het hof overwoog dat het bezwaar van appellant een inhoudelijk geschil betrof over de beslissing van de rolraadsheer en niet een evidente verschrijving of rekenfout.

Het hof concludeerde dat het verzoek tot verbetering van het arrest niet kon worden toegewezen en wees het verzoek af. Hierdoor werd appellant niet alsnog in de gelegenheid gesteld de memorie van grieven te nemen. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2018.

Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van het arrest wordt afgewezen wegens ontbreken van een kennelijke fout.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.227.997/01
arrest van 19 juni 2018 op een verzoek tot VERBETERING in de zin van artikel 31 Rv Pro van het arrest, gewezen op 15 mei 2018
in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aanhangig is geweest tussen
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans te Breda,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. B.G. Arends te Eindhoven.

1.Het verzoek van [appellant]

1.1.
Bij brief van 16 mei 2018 heeft mr. Spoormans aan de griffier van het hof bericht dat het zijn cliënt in hoge mate bevreemdt dat op de rol van 13 maart 2018 de rolraadsheer heeft vastgesteld dat het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen is vervallen en dat de rolraadsheer van dat feit akte van niet-dienen heeft verleend.
1.2.
In de onderhavige procedure, die heeft geleid tot het arrest van 15 mei 2018 heeft [appellant] bij incidentele memorie tot voeging ter rolle van 13 maart 2018 gevraagd om deze procedure ex artikel 222 Rv Pro te voegen met de procedure tussen [geïntimeerde] en [betrokkene] , welke procedure aanhangig is bij dit gerechtshof onder zaaknummer 200.212.156/01. Mr. Spoormans wijst erop dat in de procedure tussen [geïntimeerde] en [betrokkene] de rolraadsheer op 6 juni 2017 – bij eenzelfde stand van de procedure als op
13 maart 2018 in de onderhavige procedure aan de orde was – op de voet van artikel 209 Rv Pro heeft bepaald dat eerst in het incident wordt beslist voordat in de hoofdzaak wordt doorgeprocedeerd en heeft geoordeeld dat geen akte van niet-dienen wordt verleend, maar dat voor het nemen van de memorie van grieven uitstel wordt verleend.
1.3.
Mr. Spoormans acht de beslissing van de rolraadsheer om in de zaak met zaaknummer 200.212.156/01 de hoofdzaak aan te houden en in het onderhavige geval een akte van niet-dienen te verlenen, onbegrijpelijk en in strijd met de rechtszekerheid en stelt dat in dat kader sprake is van een kennelijke fout in het arrest van 15 mei 2018. Op grond daarvan verzoekt [appellant] het hof deze kennelijke fout in het arrest op grond van artikel 31 Rv Pro te herstellen en hem alsnog in de gelegenheid te stellen de memorie van grieven te nemen.

2.De reactie van [geïntimeerde]

Bij brief aan het hof van 17 mei 2018 heeft mr. Arends namens [geïntimeerde] laten weten dat het verzoek van [appellant] dient te worden afgewezen. Daartoe voert [geïntimeerde] aan dat geen sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv Pro die zich leent voor eenvoudig herstel.

3.Het oordeel van het hof

3.1.
Wat [appellant] aanvoert is een inhoudelijk bezwaar tegen het gewezen arrest van 15 mei 2018, namelijk dat dat arrest berust op een beslissing van de rolraadsheer waarmee [appellant] het niet eens is.
3.2.
Hetgeen [appellant] aanvoert, is niet een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv Pro die zich leent voor eenvoudig herstel. Van een evidente verschrijving of rekenfout is geen sprake.
3.3.
Het hof zal het verzoek tot verbetering van het arrest van 15 mei 2018 dan ook afwijzen. Dat betekent dat [appellant] niet alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld de memorie van grieven te nemen.

4.De beslissing

Het hof:
wijst af het verzoek tot verbetering van het arrest van 15 mei 2018.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, P.P.M. Rousseau en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juni 2018.
griffier rolraadsheer