Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 21 juni 2016 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 28 september 2016;
6.De beoordeling
aan de straatzijdevan diens boerderij. (Zie hierover nader r.o. 6.7.1. )
"om medewerking te verlenen aan al hetgeen noodzakelijk is om de kadastrale registratie overeenkomstig het sub 3.3. toegewezene aan te passen, en te bepalen dat wanneer [appellant] c.s. na veertien dagen na betekening van dit vonnis in gebreke mochten blijven hieraan te voldoen, het vonnis in de plaats zal treden van de vereiste medewerking van [appellant] c.s.".
“(…) de vonnissen (…) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zonodig onder verbetering en aanvulling van gronden, appellanten in hun vorderingen zoals in eerste aanleg ingesteld alsnog ontvankelijk te verklaren en deze toe te wijzen, een en ander met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties. ”
- verklaringen van [derde 1] en [derde 2] (prod. 8 bij akte houdende uitlating tevens overlegging producties van 15 december 2010),
- foto’s in eerste aanleg (nr. 17 en 18 van prod. 9 bij akte houdende uitlating tevens overlegging producties van 15 december 2010),
- foto’s in hoger beroep (schriftelijk pleidooi in hoger beroep, prod. 3: 1 foto en prod. 4: 4 foto’s), en
- een verklaring van [derde 3] (prod. 5 bij schriftelijk pleidooi in hoger beroep).
De vraag of sprake was van bezit kan ook naar OBW worden beantwoord aan de hand van de maatstaven die voor het huidige recht zijn neergelegd in de artikelen 3:107 en verder BW. In artikel 3:107 lid 1 BW Pro is bezit gedefinieerd als het houden van een goed voor zichzelf. Krachtens artikel 3:108 BW Pro wordt de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet naar verkeersopvatting beoordeeld met inachtneming van de regels van titel 5 van Boek 3 BW en overigens op grond van uiterlijke feiten. Beslissend voor het aannemen van bezit zijn de uiterlijke feiten waaraan in het verkeer een erkenning van bezit wordt geknoopt. Het gaat om het uitoefenen van een voldoende mate van feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn. Deze maatstaven wijken, zoals vermeld, niet af van hetgeen gold onder het oude recht waar ingevolge artikel 1992 OBW Pro sprake moest zijn van "niet dubbelzinnig" bezit. Het vereiste van ondubbelzinnigheid ligt in wezen besloten in het begrip “bezit” zelf en is om die reden niet meer expliciet in de artikelen 3:107 en volgende BW gesteld (Toel. Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 408 en HR 10 oktober 2008, NJ 2009, 1). Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178). Aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn. Zo kan hij tijdig maatregelen nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Laat de werkelijk rechthebbende die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen. Verjaring dient ertoe de rechtstoestand in overeenstemming te brengen met de feitelijke toestand indien deze lang genoeg heeft bestaan.
“de voormalige bewoners van [adres 1] ”de strook grond aan [geïntimeerde 1] c.s. in bruikleen hebben gegeven. In de memorie van grieven (nr 2.21) stelt [appellant] c.s. dat de rechtsvoorgangers van [geïntimeerde 1] c.s. de strook grond in bruikleen hadden. Anders dan [appellant] c.s. stelt, geven bovendien de door hem in dit kader overgelegde verklaringen van [derde 4] en [derde 5] geen enkel aanknopingspunt om te kunnen oordelen dat er sprake is geweest van de gestelde bruikleen, laat staan dat duidelijk wordt wanneer de strook grond in bruikleen is gegeven en wie daarbij betrokken waren. Zij verklaren immers niet meer dan het volgende:
“Dat de strook grond gelegen onder de druplijn aan de rechterkant van de boerderijwoning niet is weggegeven.”
“Nu [appellant] niet kan bewijzen dat gedaagden in conventie, eisers in reconventie, nader te noemen “ [geïntimeerde 1] ”, te kwader trouw zijn met betrekking tot het sinds 1947 voortdurende, ongestoorde, openbare en ondubbelzinnige bezit van de stook grond (…), komt [appellant] ook niet toe aan het aanspraak maken op hetgeen in artikel 93 ONBW Pro in verband met de artikelen 3:105 en 3:306 BW is bepaald.”
“nagenoeg tegen de vakwerkmuur aangeplaatst”en hij stelt ook dat
“de spouw op veel plekken minder is dan 15 cm”(memorie van grieven resp. nr 2.34 en 2.49).
- het aanpassen van het overstekende dak van [appellant] c.s. (r.o. 4.23. van het bestreden vonnis van 8 februari 2012) en
- het verwijderen of aanpassen van houten penverbindingen van de horizontale en verticale balken van de boerderij van [appellant] c.s. (r.o. 2.10 van het bestreden vonnis van 27 mei 2015).
“zonder twijfel”vele malen hoger uit. [appellant] c.s. heeft verder niet voldoende kenbaar toegelicht waaruit blijkt dat deze specifieke gestelde schade is veroorzaakt door [geïntimeerde 1] c.s. Hij heeft ook geen bedrag of indicatie voor deze schade genoemd, laat staan onderbouwd. Bovendien stelt hij verderop (memorie van grieven nr. 2.54.) dat de
totaleschade van [appellant] c.s. bovengenoemd bedrag van € 21.134,46 bedraagt. Zoals uit 6.22. blijkt, is in dat bedrag alleen het door de rechtbank toegewezen bedrag van
“speling”,die niet overal de eerder door [appellant] c.s. gewenste 25 cm bedraagt. Op de door [appellant] c.s. genoemde foto’s (prod. 18 en 21 bij memorie van grieven) is naar het oordeel van het hof onvoldoende kenbaar hoe groot de bedoelde afstand is. In lijn met het deskundigenbericht houdt het hof het er dan ook voor dat de afstand tussen aanbouw en muur (op de meeste plaatsen) ongeveer 15 cm bedraagt.
“(op den duur) tot schimmelvorming”leidt. In het schriftelijk pleidooi (nr. 32) stelt hij:
“Als gevolg van het ontbreken van ventilatie ontstaat er schimmel.”Hij stelt echter niet concreet dat er al daadwerkelijk sprake is van schimmelvorming. Evenmin legt hij hierover verklaringen of foto’s over. Ook doet hij geen concreet bewijsaanbod op dit punt (in nr. 2.50 van de memorie van grieven spreekt hij slechts over begroting van de schade door een deskundige en in het petitum vordert hij dat het hof de schade op dit punt begroot).