Uitspraak
- verdachte een beroep op overmacht toekomt in verband met het bestaan van een noodtoestand waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;
- art. 294 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) overbindend dient te worden verklaard omdat dit art. in strijd is met art. 8, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM);
- verdachte een beroep op overmacht toekomt in verband met het bestaan van een verontschuldigbare noodtoestand waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;
- verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;
- indien het hof toekomt aan het opleggen van een straf, aanleiding bestaat toepassing te geven aan art. 9a Sr.
1.Vonnis waarvan beroep
instructies en aanwijzingen gegeven omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen
2.Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
‘margin of appreciation’van een staat valt om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om een uitzondering te maken op een verbod op hulp bij zelfdoding. Dit brengt met zich dat het niet in strijd is met art. 8 EVRM Pro om hulp bij zelfdoding enkel toe te staan onder de in art. 293 lid 2 Sr Pro genoemde voorwaarden, waarnaar de tweede zin van art. 294 lid 2 Sr Pro verwijst.
Brongersma-arrest van de Hoge Raad, ondenkbaar dat een arts [stiefmoeder verdachte] zou helpen in 2008, omdat dit ook voor een arts verboden was in de gegeven omstandigheden. De verdachte durfde daarom ook niet om een (andere) arts een dergelijke vraag voor te leggen; een arts zou daardoor in een ongemakkelijke situatie worden gebracht en dat wilde verdachte niet. De verdachte heeft daarom niet verder gezocht naar een (andere) arts en niet geverifieerd of het
Brongersma-arrest – dat dateert van 24 december 2002 – nog steeds actueel was en onverkort gold. In plaats daarvan heeft hij, op verzoek van [stiefmoeder verdachte] , contact opgenomen met de NVVE. De consultatie van een vrijwilliger van de NVVE heeft naar het oordeel van het hof evenwel niet te gelden als de consultatie van een arts, nu is gesteld noch gebleken dat die vrijwilligers op enigerlei wijze medisch zijn geschoold of deskundig zijn op medisch gebied.
Pretty v. United Kingdom [1] oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat art. 2 EVRM Pro geen recht om te sterven omvat, zoals door de ongeneeslijk zieke mevrouw Pretty werd aangevoerd. Volgens het EHRM heeft art. 2 EVRM Pro geen negatieve dimensie maar alleen de positieve verplichting voor de overheid om het leven te beschermen. Er is volgens het EHRM ook geen verband tussen het te beschermen recht op leven en de kwaliteit van dat leven of wat een persoon verkiest te doen met dat leven. Art. 2 EVRM Pro vestigt dus geen recht op zelfbeschikking over het eigen leven. Derhalve zijn de lidstaten niet verplicht om hulp bij zelfdoding te decriminaliseren, zelfs niet in de meest dwingende omstandigheden zoals die van
Pretty.
recht op eerbiediging van privélevenraakt aan de individualiteit van de burger en waarvan de bescherming een ontplooiing van zijn persoonlijkheid moet garanderen. [2]
‘margin of appreciation’voor de nationale overheid. Deze mag de rechten van art. 8 EVRM Pro beperken wanneer dat 'in overeenstemming met de wet' is en 'noodzakelijk in een democratische samenleving'.
‘margin of appreciation’een kernbeginsel is dat het EVRM beheerst
. De ‘margin of appreciation’is een beoordelingsmarge die de lidstaten wordt geboden en die vaak wordt ingeroepen wanneer het moeilijk is om uniforme Europese opvattingen over de reikwijdte van rechten of beperkingen te achterhalen. Een gebrek aan consensus tussen de lidstaten is een indicatie voor het EHRM dat de zaak het beste aan de afzonderlijke lidstaten kan worden overgelaten. Veel factoren, zoals verschillen in lokale wetten en culturen, geven steun aan de toepassing van de beoordelingsmarge, met name in het kader van zeer gevoelige kwesties, zoals die van de zelfmoord, een alom bekend politiek en moreel debat in de hele wereld, dat duidelijk binnen de beoordelingsmarge valt die aan de lidstaten wordt toegekend.
Koch v. Germany [4] , waar het EHRM een procedurele schending van art. 8 EVRM Pro heeft vastgesteld, een oordeel te geven over de materiële klacht en merkte op dat de meerderheid van de staten geen enkele vorm van hulp bij zelfdoding toestond en dat het, gezien de
‘margin of appreciation’, in de eerste plaats aan de nationale rechtbanken was om de gegrondheid van de vordering te onderzoeken.
Pretty v. United Kingdomis voor het eerst uitdrukkelijk beslist dat
‘personal autonomy’en
‘the right to self-determination’tot het wezen van art. 8 EVRM Pro behoren (§ 60). [5]
Koch v. Germanyen de andere door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het EHRM af te leiden dat verdachte onder deze omstandigheden een zelfstandig of afgeleid recht heeft op het geven van hulp bij zelfdoding dat hij zou kunnen ontlenen aan zijn eigen door art. 8, eerste lid EVRM beschermde recht op privéleven. In deze zaak
(Koch v. Germany)heeft het EHRM geoordeeld dat, gelet met name op de uitzonderlijk nauwe band die tussen verzoeker en zijn echtgenote bestond, en op zijn onmiddellijke betrokkenheid bij de vervulling van haar wens om haar dagen te beëindigen, verzoeker rechtstreeks getroffen had kunnen worden door de weigering om haar toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een dodelijke dosis geneesmiddelen. Het EHRM oordeelde dat in het betreffende geval verzoekers procedurele rechten uit hoofde van art. 8 EVRM Pro zijn geschonden, aangezien de Duitse rechter heeft geweigerd de gegrondheid van zijn klacht inhoudelijk te onderzoeken. Wat de grond van de klacht van verzoekster betreft, was het EHRM evenwel van oordeel dat het in de eerste plaats aan de Duitse rechter was om de gegrondheid ervan te onderzoeken, met name gezien het feit dat er tussen de lidstaten van de Raad van Europa geen overeenstemming bestond over de vraag of er al dan niet enige vorm van zelfmoord moest worden toegestaan.
‘margin of appreciation’van een staat valt om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om een uitzondering te maken op een verbod op hulp bij zelfdoding. Dit brengt met zich dat het niet in strijd is met art. 8 EVRM Pro om hulp bij zelfdoding alleen toe te staan onder de in art. 293 lid 2 Sr Pro genoemde voorwaarden, waarnaar de tweede zin van art. 294 lid 2 Sr Pro verwijst.
‘margin of appreciation’staat het staten vrij om nadere regels te geven omtrent het mogelijk maken van euthanasie, zolang dit bij wet is voorzien.
‘margin of appreciation’ingevuld door te bepalen dat het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie niet strafbaar is indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293, tweede lid, Sr genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2 eerste Pro lid van de Wtl. Dat het aldus door de Nederlandse wetgever invulling geven aan de
‘margin of appreciation’onrechtmatig zou zijn, vermag het hof niet in te zien. Dit klemt te meer nu de ratio van art. 294 Sr Pro, voor zover deze wetsbepaling al een inbreuk zou vormen op art. 8 EVRM Pro, in ieder geval omvat het voorkomen van misbruik van hulp bij zelfdoding en derhalve op de bescherming van wilsonbekwame en kwetsbare personen waarop art. 8, tweede lid EVRM mede betrekking heeft, waarmee aldus een relevant en legitiem doel wordt nagestreefd. Dat art. 8 lid 2 EVRM Pro de beperkingen zoals omschreven in art. 293, tweede lid Sr, niet toestaat is ook overigens niet gebleken.
3.Strafbaarheid van de verdachte
4.Maatschappelijke discussie aangaande het voltooid leven
5.Oplegging van straf en of maatregel
- het strafrechtelijk onderzoek is ingesteld op 8 februari 2010, de datum waarop de documentaire door ‘Netwerk’ is uitgezonden;
- het eerste verhoor van de verdachte vond plaats op 23 februari 2010;
- de betekening van de inleidende dagvaarding voor de eerste zitting bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen op 15 januari 2013, vond plaats op 27 december 2012;
- de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft vonnis gewezen op 22 oktober 2013;
- het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld op 29 oktober 2013;
- de verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 31 oktober 2013;
- het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft arrest gewezen op 13 mei 2015;
- het openbaar ministerie heeft cassatieberoep ingesteld op 22 mei 2015;
- de verdachte heeft cassatieberoep ingesteld op 27 mei 2015;
- de Hoge Raad wees arrest op 14 maart 2017 en verwees de zaak naar dit hof;
- dit hof zal arrest wijzen op 31 januari 2018.
6.Toepasselijke wettelijke voorschriften
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.