Belanghebbende, een autohandelaar met woonplaats in Spanje en Nederland, werd geconfronteerd met een aanslag inkomstenbelasting 2010 opgelegd door de Inspecteur. Deze aanslag was gebaseerd op een winst uit onderneming van €50.000, terwijl belanghebbende een negatieve winst had opgegeven. De Inspecteur baseerde zijn standpunt mede op verklaringen van belanghebbende afgelegd bij de politie in een ander onderzoek en op een vermogensvergelijking.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond, maar vernietigde de boetebeschikking. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Hof. Het Hof stelde vast dat geen aanmaning was verzonden, waardoor geen omkering van de bewijslast kon plaatsvinden. Het Hof achtte de administratie van belanghebbende onbetrouwbaar en vond de door de Inspecteur vastgestelde winst van €50.000 niet aannemelijk, maar stelde de winst vast op €40.000.
Na toepassing van zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling kwam het belastbaar inkomen uit werk en woning op €28.314. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de aanslag betrof, verminderd de aanslag en heffingsrente dienovereenkomstig, en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. De uitspraak werd op 21 september 2018 gedaan.