De appellant exploiteert een onderneming voor handel in oud metaal en plasticafval en huurt bedrijfsruimte te Breda. Zij vroeg in 2010 een milieuvergunning aan die aanvankelijk werd geweigerd op basis van een Bibob-advies. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze weigering en de vergunning werd in 2014 alsnog verleend.
In 2011 sloot de gemeente de inrichting van appellant middels bestuursdwang wegens het ontbreken van een milieuvergunning. Dit besluit werd later ingetrokken en de bestuursrechter verklaarde het besluit onrechtmatig. De appellant vorderde vervolgens schadevergoeding wegens de sluiting en de weigering van vergunningen.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit vonnis. Het hof oordeelde dat de intrekking van het bestuursdwangbesluit ex tunc werkte, waardoor het besluit onrechtmatig was. Ook de weigering van de milieuvergunning werd als onrechtmatige daad aangemerkt. Er was causaal verband tussen de besluiten en de geleden schade. Het hof verwees de schadevaststelling naar een schadestaatprocedure en veroordeelde de gemeente tot schadevergoeding, terugbetaling en proceskosten.