Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaartzich onbevoegd ten aanzien van de vraag of recht op terugbetaling van invorderingsrente bestaat;
- verklaarthet hoger beroep gegrond;
- vernietigtde uitspraak van de Rechtbank doch uitsluitend voor zover de Rechtbank de Inspecteur niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade en de vergoeding van wettelijke rente daarover;
- veroordeeltde Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ter hoogte van € 500, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 2 maart 2018, tot aan de dag van algehele voldoening;
- gelastdat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 253 vergoedt, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de onderhavige uitspraak op 25 april 2019, tot aan de dag van algehele voldoening; en
- veroordeeltde Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 512, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de onderhavige uitspraak op 25 april 2019, tot aan de dag van algehele voldoening.