Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM en een boetebeschikking opgelegd, welke hij betwistte. De rechtbank vernietigde de aanslag en boete en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak, met name over vergoeding van invorderingsrente en immateriële schade.
Het hof oordeelde dat het niet bevoegd is om te beslissen over vergoeding van invorderingsrente, omdat dit geen belastingbesluit betreft. Wel stelde het hof vast dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500, vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank.
Verder wees het hof het verzoek af om rentevergoeding over griffierecht en proceskosten, omdat deze bedragen reeds waren vergoed en het Unierecht geen verplichting tot rentevergoeding oplegt. Het hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht voor het hoger beroep en een redelijke tegemoetkoming in de proceskosten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze niet tot vergoeding van immateriële schade en rente had veroordeeld.