Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Stichting Sint Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis,
2.Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn,
5.Het verloop van de procedure
- het arrest van 3 oktober 2017;
- de memorie van antwoord van het pensioenfonds in incidenteel appel van 20 juni 2017, die aanvankelijk geweigerd was;
- de akte na beraad (antwoordakte in voeging) in incidenteel appel van het ziekenhuis;
- de akte na beraad (in voeging) in incidenteel appel van [appellant] ;
- de brief van 1 februari 2019 van mr. Huijg aan het hof, met als bijlage de brief van mr. Huijg aan het hof van 30 januari 2017;
- de pleitnotities van de advocaten van partijen.
- de heer [appellant] zelf;
- de heer [de voorzitter van de raad van bestuur] , voorzitter van de raad van bestuur, mevrouw [de manager HRM] , manager HRM en mevrouw [de arbeidsjurist] , arbeidsjurist namens het ziekenhuis;
- mevrouw [de leidinggevende afdeling juridische zaken namens het pensioenfonds] , leidinggevende afdeling juridische zaken en mevrouw [de pensioenjurist namens het pensioenfonds] , pensioenjurist namens het pensioenfonds.
6. De beoordeling in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep
de werknemers die tijdelijk aan een aangesloten instelling verbonden zijn in een funktie, welke een tijdelijk karakter heeft;
de werknemers, die uit hoofde van de aard van hun functie slechts tijdelijk verbonden zijn aan een particuliere verplegingsinrichting;
particuliere verplegingsinrichting: een onder beheer van een natuurlijk of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijk lichaam, staande inrichting, bestemd voor het geneeskundig behandelen en/of verplegen van personen, die daarvoor op grond van hun lichamelijk of geestelijke toestand in aanmerking komen (….)”
de werknemers die tijdelijk aan een particuliere verplegingsinrichting verbonden zijn in een functie, welke een tijdelijk karakter heeft;
Geachte heer [appellant] ,
(….)
- de werknemer tijdelijk aan de instelling verbonden was (tijdelijke arbeidsovereenkomst); en
- de werkzaamheden in tijdelijk karakter hadden. De instelling beoordeelde of de functie een wezenlijk en in beginsel permanent onderdeel vormde van de diensteverlening van de instelling. Zo niet, dan was er op dit punt sprake van tijdelijkheid. Dit kon overigens per specialisme verschillen, en de vraag of de instelling voor de betreffende discipline een opleidingsbevoegdheid had speelde een belangrijke rol in de beoordeling.
In het pensioenreglement in de periode 1980-1981 was bepaald dat werknemers die voldeden aan de “dubbele tijdelijkheid” uitgezonderd waren van verplichte deelneming in het fonds.