ECLI:NL:GHSHE:2019:179
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonbetaling ondanks beëindiging werkzaamheden na verkoop vennootschap
De zaak betreft een hoger beroep van een vennootschap tegen een vonnis waarin zij werd veroordeeld tot betaling van loon aan een werknemer, tevens bestuurder, die na de verkoop van een dochtermaatschappij geen werkzaamheden meer verrichtte.
De werknemer ontving maandelijks loon, terwijl zij vanaf 1 januari 2015 feitelijk niet meer werkte. De vennootschap stelde dat het adagium 'geen werk, geen loon' van toepassing was en dat de loonbetaling onterecht was. De werknemer stelde echter dat zij niet kon werken doordat zij de toegang tot haar werkplek werd ontzegd en dat het risico van niet-werken bij de werkgever lag.
Het hof oordeelde dat het arbeidsrecht niet terzijde wordt geschoven en verwees naar artikel 7:628 lid 1 BW Pro en vaste rechtspraak, die bepalen dat de werknemer recht op loon behoudt indien het niet-werken voor rekening van de werkgever komt. Gezien de omstandigheden en het feit dat de werknemer bereid was haar werkzaamheden te hervatten, wees het hof het beroep van de vennootschap af en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de werknemer recht heeft op loon ondanks het niet verrichten van werkzaamheden na verkoop van de vennootschap.