Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi gehouden op 5 april 2019, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 3 april 2019 door mr. Van den Bergh toegezonden productie 29 die hij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht en de notitie van [appellant] van 4 april 2019 die hij bij het pleidooi heeft overgelegd, waartegen mr. Witberg geen bezwaren heeft gehad.
6.De beoordeling
In het eerste deskundigenoordeel van 6 juni 2013 heeft het UWV geoordeeld dat [appellant] niet voldoende meewerkte aan zijn re-integratie.
In het tweede deskundigenoordeel van 2 oktober 2013 heeft het UWV geoordeeld dat het werk dat GGzE [appellant] had aangeboden niet passend was.
Dat betekent, zoals u ook concludeert, dat de heer [appellant] zo langzamerhand weer beschikbaar komt voor gemiddeld 2 uur per dag thuiswerk (…) Mijn advies is om niet vaker dan 1 a 2 maal per 2 weken met de trein op en neer naar [kantoorplaats] te gaan.”.
Het UWV heeft in een deskundigenoordeel van 8 april 2015 aan [appellant] geschreven:
“
U vindt dat uw werkgever onvoldoende meewerkt aan uw re-integratie. Uw werkgever vindt echter dat hij genoeg doet. Ons oordeel is dat uw werkgever voldoende meewerkt aan uw re-integratie.”.
“
De inspanningen van de werkgever in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter zijn naar redelijkheid en billijkheid als voldoende aan te merken, dit mede gezien de beperkingen en (marginale) mogelijkheden van verzekerde. (…) Er zijn op dit moment geen mogelijkheden tot werkhervatting.”.
“
Volgens ons heeft uw werkgever voldoende gedaan aan uw re-integratie.”.
1. voor recht verklaart dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat:
a) GGzE zich niet voldoende heeft ingespannen om [appellant] te laten re-integreren;
b) GGzE gebruik heeft gemaakt van de ontslagvergunning die was afgegeven zonder over een actueel oordeel van de bedrijfsarts te beschikken;
€ 4.171,- bruto per maand tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; en
Het hof overweegt als volgt. Uit het enkele feit dat de kantonrechter bepaalde vragen niet heeft gesteld, volgt niet dat de vordering van [appellant] ten onrechte is afgewezen. Daarbij komt dat het geschil binnen de grenzen van het hoger beroep opnieuw ter behandeling en beslissing aan het hof is voorgelegd. Grief I van [appellant] mist daarom belang. Het hof gaat aan deze grief voorbij.
In art. 7:681 lid 2 BW Pro (oud) worden voorbeelden genoemd van gevallen waarin de opzegging door de werkgever kennelijk onredelijk kan worden geacht. Dit is onder meer het geval wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging (art. 7:681 lid 2 sub b BW Pro (oud), het ‘gevolgencriterium’).
De voorbeelden van art. 7:681 lid 2 BW Pro houden geen limitatieve opsomming in. Ook andere omstandigheden kunnen tot het oordeel leiden dat een door de werkgever gegeven ontslag kennelijk onredelijk is.
a) haar verantwoordelijkheid niet heeft genomen en de re-integratie niet van de grond kwam, terwijl [appellant] daar zelf niet debet aan was (grieven II t/m V);
Op 9 december 2013 vond het eerste inhoudelijke contact met een HRM-medewerkster van GGzE plaats en is een afspraak gepland bij een nieuwe bedrijfsarts (dhr. [de bedrijfsarts] ). Deze bedrijfsarts heeft op 6 mei 2014 aan GGzE voorgesteld om re-integratie te starten en een arbeidsdeskundig onderzoek te laten plaatsvinden. De resultaten van het arbeidsdeskundig onderzoek zijn op 30 oktober 2014 aan GGzE verzonden, waarna de bedrijfsarts op 7 november 2014 nogmaals stelde dat GGzE een passend re-integratieaanbod kon doen, conform zijn eerdere bevindingen van 6 mei 2014.
[appellant] heeft pas op 12 januari 2015 een gesprek gehad met GGzE. GGzE heeft op 9 februari 2015 een ‘re-integratieaanbod’ gedaan. [appellant] heeft op 11 maart 2015 een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd om dit aanbod te laten toetsen. In het deskundigenoordeel van 8 april 2015 heeft het UWV geoordeeld dat GGzE aan haar re-integratieverplichtingen had voldaan. Dit is onjuist en onnavolgbaar.
Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
Art. 2:1 van Pro het Ontslagbesluit bepaalt dat, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van het verzoek om toestemming voor opzegging, de werkgever de gelegenheid heeft om het verzoek binnen acht dagen na mededeling hiervan door het UWV aan te vullen.
Art. 5:2 van Pro het Ontslagbesluit bepaalt dat de toestemming voor opzegging slechts kan worden verleend indien de werkgever de ongeschiktheid ten gevolge van ziekte aannemelijk heeft gemaakt en aannemelijk is dat binnen zesentwintig weken geen herstel zal optreden (sub a) en aannemelijk heeft gemaakt dat herplaatsing binnen zesentwintig weken niet mogelijk is (sub b).
Dat GGzE [appellant] na twee jaar arbeidsongeschiktheid niet heeft gehoord zoals bedoeld in de cao GGZ en gebruik heeft gemaakt van de ontslagvergunning zonder actueel oordeel van de bedrijfsarts, weegt onvoldoende zwaar. [appellant] was ten tijde van de opzegging 62 jaar. De financiële consequenties van het ontslag, waaronder begrepen de gevolgen voor zijn pensioen(opbouw), maken de opzegging niet kennelijk onredelijk. [appellant] had ten tijde van de opzegging geen aanspraak meer op loon (€ 8.800,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en een eindejaarsuitkering) en zijn IVA-uitkering van € 3.080,- bruto per maand wordt tot zijn pensioengerechtigde leeftijd aangevuld met een invaliditeitsuitkering van € 4.171,- bruto per maand. Dat de pensioenopbouw en aanspraken van [appellant] als gevolg van de opzegging in negatieve zin worden beïnvloed, leidt niet tot een ander oordeel.