Belanghebbende, aandeelhouder van een ontbonden BV, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 2010 en 2011 wegens niet aangegeven inkomsten uit hennephandel en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank had de navorderingsaanslagen verminderd en de boetes gematigd, maar het hof behandelt het hoger beroep tegen deze besluiten.
Het hof oordeelt dat belanghebbende te kwader trouw was omdat hij bewust onjuiste aangiften heeft gedaan ondanks sterke aanwijzingen van hennephandel, ondersteund door camerabeelden, telefoontaps en strafrechtelijke rapportages. De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard vanwege het niet doen van de vereiste aangifte. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt als redelijk beoordeeld, waarbij bevindingen uit perioden met fysieke bewijzen zijn geëxtrapoleerd naar andere perioden.
De boetebeschikkingen worden verminderd ten opzichte van de rechtbank, mede vanwege het feit dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard en het ontbreken van duidelijkheid over de verdeling van de inkomsten. Het hof vergoedt het griffierecht en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, maar de navorderingsaanslagen blijven in stand.