Appellante was van juni 2012 tot januari 2013 in dienst bij geïntimeerden als medewerkster bediening met een bruto uurloon van € 9,16. Na haar uitdiensttreding werkte zij kort bij een ander restaurant. In de arbeidsovereenkomst was een concurrentiebeding opgenomen voor drie jaar binnen een straal van 25 kilometer rond Maastricht.
Appellante's toenmalige advocaat vorderde in 2013 achterstallig loon en verzocht om overleg over matiging van het concurrentiebeding. Geïntimeerden wezen de loonvordering af en stelden overleg alleen te willen voeren als de loonvordering werd ingetrokken. In november 2014 stelde de advocaat namens appellante een voorstel om af te zien van loonvorderingen in ruil voor matiging van het concurrentiebeding. Geïntimeerden accepteerden dit aanbod in december 2014 tegen finale kwijting.
Appellante stelde later dat zij de advocaat geen toestemming had gegeven voor deze overeenkomst en vorderde alsnog betaling van het loon. Het hof oordeelde dat de advocaat een volledige volmacht had en appellante daardoor gebonden was aan de overeenkomst. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter dat de loonvordering afwees en veroordeelde appellante in de proceskosten van het hoger beroep.