Belanghebbende en zijn echtgenote woonden sinds 2012 deels in Nederland en deels in Zweden, waarbij zij in 2015 ongeveer 27-28% van de tijd in Nederland verbleven en een stacaravan als verblijfplaats hadden. Zij waren niet meer ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen, maar wel in de Registratie Niet-ingezetenen en in Zweden. Het geschil betrof het recht op heffingskorting in de Nederlandse inkomstenbelasting over 2015.
Het hof stelde vast dat belanghebbende en zijn echtgenote ondanks hun langdurige verblijf in Zweden voldoende duurzame persoonlijke banden met Nederland hadden, waaronder sociale contacten, medische zorg en verblijfsmogelijkheden. Hierdoor kwalificeerden zij als binnenlandse belastingplichtigen in Nederland volgens de nationale wetgeving, met recht op heffingskorting.
Voor het belastingverdrag Nederland-Zweden werd belanghebbende geacht inwoner van Zweden te zijn, waardoor Nederland slechts beperkte belastingheffing kon toepassen. Het hof oordeelde dat het verdrag en het Unierecht niet verhinderen dat Nederland heffingskorting toekent aan binnenlandse belastingplichtigen, ook als zij volgens het verdrag inwoner van Zweden zijn.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de aanslag aangepast met toekenning van heffingskorting van € 972. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende.