In deze civiele zaak staat centraal of tussen partijen een prijsafspraak is gemaakt voor werkzaamheden uitgevoerd op 4 augustus 2016. Appellant stelde dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat geïntimeerde niets in rekening zou brengen voor deze werkzaamheden.
Het hof heeft appellant toegelaten tot bewijslevering, waaronder het horen van getuigen. Uit de bewijswaardering volgt dat appellant niet is geslaagd in het leveren van voldoende bewijs dat er een prijsafspraak bestond of dat geïntimeerde de werkzaamheden kosteloos zou verrichten. De verklaringen van appellant en getuige waren deels onduidelijk en wijken af van eerdere stellingen.
Het hof overweegt dat het enkele feit dat geluidsoverlast bleef bestaan na levering van een vriesaggregaat niet betekent dat geïntimeerde tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. De vordering van geïntimeerde tot betaling wordt daarom toegewezen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep en verklaart het arrest bij voorraad uitvoerbaar.