Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6823779 CV EXPL 18-2342)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven van 26 maart 2019;
- de memorie van antwoord van 4 juni 2019.
3.De beoordeling
opgebouwd bij zijn pensioenfonds ABP. De vrouw behoudt deze aanspraken althans voor zover deze zijn opgebouwd tot aan de datum van echtscheiding”.
onmogelijk met terugwerkende kracht kan zijn ingevoerd. Uw tweede partner[hof: [ex-echtgenote 2] ]
is reeds in 2007 overleden. Sindsdien is de derde partner waarschijnlijk op de hoogte van het haar toekomende bedrag aan partnerpensioen. Er zou sprake zijn van rechtsonzekerheid indien de haar toegekende aanspraak ‘ineens’ naar de huidige partner zou gaan.”
volgendebijzondere partner (r.o. 4.3.1). Ten slotte betrekt de kantonrechter de wetsgeschiedenis van artikel 57 Pw Pro. zoals gewijzigd met ingang van 1 januari 2015, bij zijn oordeel (r.o. 4.4) en verwerpt hij het beroep op strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid (r.o. 4.6.1). De kantonrechter concludeert dat de vorderingen van [appellant] een grondslag missen.
ingegaan[cursivering hof] pensioen (uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening). Volgens artikel 9.2, lid 1 PR 2015 gaat het recht op partnerpensioen in op de dag volgende op de dag van overlijden. Volgens artikel 9.5 PR 2015 gaat ook het recht op bijzonder partnerpensioen in op de dag volgende op de dag van overlijden. Het BPP is (slechts) een voorwaardelijk recht, omdat het afhankelijk is van een onzekere gebeurtenis (te weten of [appellant] eerder komt te overlijden dan zijn huidige en gewezen partners). Het hof is op grond hiervan van oordeel dat het pensioen
recht, zowel voor wat betreft het PP als voor wat betreft het BPP pas ontstaat op de datum waarop het ingaat. Pas op die datum is voldaan aan de voorwaarde waaronder het recht ontstaat en kan de omvang van het pensioenrecht worden berekend
rechtbetreft en het recht pas ontstaat bij ingang van het pensioen, dus op de dag volgend op die van het overlijden, zal het BPP van [ex-echtgenote 3] worden vastgesteld met inachtneming van eerdere BPP’n die als gevolg van het overlijden zijn ingegaan. En dan zal het BPP ten gunste van [ex-echtgenote 3] enkel worden verlaagd met het BPP waarop [ex-echtgenote 1] nu een aanspraak heeft en niet langer met het BPP waarop [ex-echtgenote 2] aanspraak had. Uit die pensioenaanspraak van [ex-echtgenote 2] ontstaat immers als gevolg van haar overlijden geen pensioenrecht meer (omdat de voorwaarde waaronder zij recht had, voor haar niet intreedt).