ECLI:NL:GHSHE:2020:1379

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 april 2020
Publicatiedatum
21 april 2020
Zaaknummer
200.273.750/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in schadestaatprocedure na onrechtmatige daad VvE

Deze zaak betreft een hoger beroep in een schadestaatprocedure die volgt op een eerdere veroordeling van de Vereniging van Eigenaren (VvE) wegens onrechtmatig handelen jegens appellante. In eerste aanleg wees de kantonrechter het verzoek af omdat de inleidende dagvaarding geen hoofdvordering bevatte, maar slechts een nevenvordering tot proceskostenveroordeling. Hierdoor werd appellante in de proceskosten veroordeeld.

In hoger beroep stelde appellante dat wel degelijk een hoofdvordering was ingesteld, verwijzend naar het eerdere arrest van het hof waarin de onrechtmatigheid van de VvE was vastgesteld en een schadestaatprocedure werd bevolen. De VvE betoogde dat de dagvaarding obscuur was en geen behoorlijke procedure mogelijk maakte.

Het hof constateerde dat onvoldoende informatie beschikbaar was om te beoordelen of de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv Pro was overschreden en besloot daarom de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet te beoordelen. De zaak werd verwezen naar de rol voor memorie van grieven van appellante, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof houdt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan en verwijst de zaak naar de rol voor memorie van grieven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.273.750/01
arrest van 21 april 2020
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. S. van Buuren te Westmaas,
tegen
Vereniging van Eigenaren van appartementen in de serviceflat [serviceflat] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als VvE,
advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 17 januari 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 18 december 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als eiseres en VvE als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8049703 19-3883)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de rolbeslissing van de rolraadsheer van 18 februari 2020;
  • akte van [appellante] ;
  • de antwoordakte van VvE.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat de inleidende dagvaarding als eis slechts een nevenvordering bevat, te weten de proceskostenveroordeling en dat een hoofdvordering niet is geformuleerd. Nu er geen hoofdvordering is geformuleerd en er dus geen (deel van de) hoofdvordering kan worden toegewezen, heeft de kantonrechter geoordeeld dat er geen grond is om VvE in de proceskosten te veroordelen. De vordering is vervolgens afgewezen en [appellante] is in de proceskosten van VvE veroordeeld.
3.2.
De rolraadsheer heeft in de rolbeslissing van 18 februari 2020 geconstateerd dat het hof niet over de inleidende dagvaarding beschikt en dat het hof uit het bestreden vonnis begrijpt dat [appellante] in de inleidende dagvaarding geen hoofdvordering heeft ingesteld, maar slechts een nevenvordering (veroordeling in de proceskosten).
De rolraadsheer heeft vervolgens de vraag opgeworpen of [appellante] in haar hoger beroep kan worden ontvangen, nu de kantonrechter niet over een hoofdvordering had te oordelen en nu niet is gebleken dat [appellante] een vordering heeft ingesteld die de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv Pro overschrijdt.
Partijen zijn daarop in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.
3.3.
[appellante] heeft bij akte de inleidende dagvaarding overgelegd. Zij stelt dat in eerste aanleg wel degelijk een hoofdvordering is ingesteld. Zij verwijst naar het arrest van dit hof van 5 maart 2019 waarin voor recht is verklaard dat VvE onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en is bepaald dat in deze zaak een schadestaatprocedure dient te worden gevoerd. Een gemachtigde van [appellante] heeft in de door hem opgestelde dagvaarding uitdrukkelijk aangegeven dat het gevorderde schadebedrag € 32.690,- bedraagt, te vermeerderen met (proces)kosten. Dit schadebedrag is weliswaar niet in het petitum van de inleidende dagvaarding opnieuw omschreven, maar blijkt volgens [appellante] wel uit de dagvaarding.
3.4.
VvE stelt onder meer dat de inleidende dagvaarding aangemerkt dient te worden als een obscuur libel op basis waarvan het niet mogelijk is een behoorlijke procedure te voeren.
3.5.
Het hof is van oordeel dat het vooralsnog niet duidelijk is of de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv Pro is overschreden. Het hof heeft hiertoe onvoldoende informatie. Het hof zal daarom nu niet beslissen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor memorie van grieven aan de zijde van [appellante] .
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2020 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellante] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 april 2020.
griffier rolraadsheer