Uitspraak
5.Het verdere geding in hoger beroep
6.De verdere beoordeling
Het is alweer een tijdje geleden (…) Ik weet niet meer in welke ruimte we toen hebben gezeten (…) Ik neem aan dat we mijn versie van de schriftelijke huurovereenkomst toen hebben ondertekend, maar ik weet dat niet zeker meer. Ik herinner me ook niet meer of we toen wel of geen tweede versie daarvan hebben ondertekend. Achteraf vind ik het logisch als we dat wel gedaan hebben, maar ik herinner het me niet meer.
(…) Ik herinner me niet meer het moment waarop het huurcontract uiteindelijk werd ondertekend. Ik weet ook niet meer waar we het hebben ondertekend, maar ik denk dat het bij mij thuis was. Het ondertekende huurcontract is opgesteld aan de hand van een eerder gemaakt concept dat de hier aanwezige [geïntimeerde] handgeschreven had ingevuld. Het is in ieder geval niet mijn handschrift dat staat op de conceptversie die ik hier bij mij heb. (…) Ik weet niet meer hoe dat precies feitelijk in zijn werk is gegaan, maar ik zal dat concept ter invulling aan [geïntimeerde] hebben meegegeven of samen met hem hebben besproken toen hij het zelf invulde. In ieder geval is het uiteindelijke contract aan de hand van dit door hem ingevulde concept opgemaakt.
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd
de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete (kan)
(…) bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (…) bestemd om te worden
Juist (…) dat [geïntimeerde] te kort is geschoten om de huurpenningen tijdig te
In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een
vermoedt stellig dat [appellant] het gehuurde vanaf februari 2018 of eerder al weer
De kantonrechter (…) de schade derhalve correct begroot.”