In deze zaak staat een executiegeschil centraal over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd wegens het plaatsen van een containerbak voor de winkel van appellante. Het verbod uit het vonnis van 11 januari 2019 verbood het plaatsen van een container of ander groot object gedurende een langere periode vanwege de onrechtmatige hinder die dit zou veroorzaken.
Alliander en Liander hadden een containerbak van beperkte hoogte en korte duur geplaatst, wat volgens hen niet in strijd was met het verbod. Appellante stelde dat elk groot object verboden was en dat ook de korte plaatsingen dwangsommen veroorzaakten. Het hof heeft de uitleg van het verbod restrictief geïnterpreteerd, waarbij doel en strekking van het verbod het voorkomen van aanzienlijk omzetverlies is.
Het hof concludeerde dat de kortstondige plaatsing van een relatief kleine containerbak niet vergelijkbaar is met de oorspronkelijk beoogde grote container en dat daardoor geen sprake was van overtreding van het verbod. Het hoger beroep van appellante faalt en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, waarbij appellante veroordeeld wordt in de proceskosten.