ECLI:NL:PHR:2024:988

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
24 september 2024
Zaaknummer
23/04548
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:270 lid 3 BWArt. 486 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg veroordeling tot actieve verkoop woning en verbeurde dwangsommen

Deze zaak betreft de uitleg van een vonnis uit 2018 waarin de man werd veroordeeld om zijn woning te verkopen. De man en de vrouw hadden een relatie en samenwoonden in de woning, waarop een hypothecaire geldlening rustte waarvoor de vrouw hoofdelijk aansprakelijk was. Na beëindiging van de relatie en het niet kunnen ontslaan van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, werd de man veroordeeld om de woning te koop te zetten, met een dwangsom bij niet-naleving.

De man plaatste de woning eerst in stille verkoop, wat het hof onjuist achtte, omdat het vonnis een actieve verkoop vereist. De woning werd pas later actief te koop aangeboden, waarna de vrouw dwangsommen claimde over de periode van stille verkoop. Zowel de rechtbank als het hof erkenden deze vordering en veroordeelden de man tot betaling.

In cassatie klaagde de man over de uitleg van het vonnis en de dwangsommen, onder meer over het advies van de makelaar en de termijn voor het inschakelen van een andere makelaar. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de veroordeling juist heeft uitgelegd, dat actieve verkoop vereist is om de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw zo snel mogelijk te beëindigen, en dat de man niet op het advies van de makelaar mocht afgaan. De cassatie wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; de veroordeling tot actieve verkoop van de woning en de verbeurde dwangsommen blijven in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04548
Zitting27 september 2024
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[de man] (de man)
advocaat: K. Aantjes
tegen
[de vrouw] (de vrouw)
(niet verschenen in cassatie)

1.Inleiding en samenvatting

Deze zaak gaat over de uitleg van een tussen de man en de vrouw in 2018 gewezen vonnis waarin de man is veroordeeld een in zijn eigendom toebehorende woning te verkopen.
De man en de vrouw hebben tussen 2001 en 2006 een affectieve relatie gehad en samengewoond in de woning van de man. In 2005 is een recht van hypotheek op de woning gevestigd. Dit betrof een herfinanciering in de vorm van een aflossingsvrije hypothecaire geldlening tot een bedrag van € 285.000,--. De vrouw heeft haar medewerking aan de financiering gegeven waardoor zij hoofdelijk aansprakelijk werd voor de financiering. Nadat de relatie in 2006 is beëindigd, is het niet gelukt om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan. Uiteindelijk is de man door de rechtbank bij vonnis van 25 april 2018 veroordeeld om de woning te koop te zetten. Deze veroordeling is versterkt met een dwangsom.
De woning is in 2019 executoriaal verkocht. De procedure waarom het nu gaat, is een renvooiprocedure over de verdeling van de (restant)opbrengst van de verkoop. De vrouw heeft in deze procedure gevorderd dat haar vordering op de man, grotendeels bestaande uit verbeurde dwangsommen wegens het niet (tijdig) voldoen aan de veroordeling van de rechtbank om de woning te verkopen, wordt erkend. Het hof heeft, net als de rechtbank, de vordering van de vrouw erkend. Naar het oordeel van het hof heeft de man over de periode dat de woning in de zogenoemde stille verkoop stond, niet voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 2018 om de woning te koop te zetten. Naar het oordeel van het hof moet de veroordeling zo worden uitgelegd, dat de man is veroordeeld om de woning in de actieve verkoop te plaatsen. In cassatie wordt uitsluitend met motiveringsklachten opgekomen tegen dit oordeel. M.i. houdt het arrest van het hof stand en moet het cassatieberoep worden verworpen.

2.Feiten

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 september 2023, rov. 3.3. [1]
2.1
De man was eigenaar van de onroerende zaak [de woning] (hierna: de woning). De man en de vrouw hebben tussen 2001 en 2006 een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond in de woning.
2.2
Bij notariële akte van 20 mei 2005 is ten behoeve van ELQ Portefeuille I B.V. (hierna: ELQ) een recht van hypotheek op de woning gevestigd. Dit betrof een herfinanciering in de vorm van een aflossingsvrije hypothecaire geldlening tot een bedrag van € 285.000,--. De vrouw heeft haar medewerking aan deze financiering gegeven. Vanaf dat moment was zij hoofdelijk aansprakelijk voor de financiering. [2]
2.3
De relatie tussen de man en de vrouw is in 2006 beëindigd. De vrouw heeft toen de woning verlaten. De man is in de woning blijven wonen.
2.4
De vrouw wilde daarna ontslagen worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Om die reden heeft zij de man een aantal maal gevraagd medewerking te verlenen aan haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij kort geding vonnis van 1 september 2010 is de man veroordeeld de bank inkomensgegevens te verstrekken, zodat de bank kon beoordelen of de vrouw kon worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man heeft deze gegevens verstrekt, maar de bank heeft geweigerd om de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij kort geding vonnis van 5 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter de daarna ingestelde vorderingen van de vrouw inzake verkoop van de woning door de man afgewezen omdat zij onvoldoende gesteld zou hebben om de gedwongen verkoop van de woning te rechtvaardigen. [3]
2.5
De vrouw heeft vervolgens in een bodemprocedure, samengevat, primair gevorderd dat de man zal worden veroordeeld om zijn volledige medewerking te verlenen aan het verstrekken van alle gegevens die de bank nodig heeft om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en subsidiair dat de man zal worden veroordeeld om de woning te koop aan te bieden door tussenkomst van een makelaar. [4]
2.6
Bij vonnis van 25 april 2018 heeft de rechtbank de man, voor zover van belang, veroordeeld (voor het geval de vrouw binnen drie maanden na dagtekening van het vonnis niet zou zijn ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid):
“5.1 (...)
a. om [de woning] te [plaats] binnen vier weken na die periode van drie maanden te koop aan te bieden door tussenkomst van een door partijen samen aan te wijzen makelaar, dan wel, indien partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijn van drie maanden overeenstemming hebben bereikt over een makelaar, door tussenkomst van:
[makelaar]
[makelaar]
[makelaar]
dan wel, als deze makelaar niet bereid is de verkoopopdracht aan te nemen, een door de vrouw binnen een week na het verstrijken van voornoemde periode van drie maanden aan te wijzen NVM makelaar in [plaats] , tegen een reële marktconforme door die (gekozen of aangewezen) makelaar vast te stellen prijs en door binnen vier weken na die periode van drie maanden een verkoopopdracht aan deze (gekozen of aangewezen) makelaar te verstrekken conform de door deze makelaar vastgestelde reële marktconforme prijs, op straffe van een dwangsom van €100,-- per dag dat de man daarmee in gebreke blijft, (...).”
2.7
De man is in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 25 juni 2019 heeft het hof ’s-Hertogenbosch het vonnis van 25 april 2018 bekrachtigd. [5]
2.8
De man heeft, teneinde aan het vonnis van 25 april 2018 te voldoen, [makelaar] te [plaats] opdracht gegeven tot verkoop van de woning over te gaan. [makelaar] heeft de opdracht tot verkoop teruggegeven. Zowel de man als de vrouw heeft vervolgens in september 2018 Kuub Makelaars benaderd om de woning te verkopen. Dat heeft niet tot een verkoopopdracht geleid.
2.9
De vrouw heeft bij exploot van 16 april 2019 de grosse van het vonnis van 25 april 2018 aan de man laten betekenen en het verbeuren van dwangsommen aangezegd. [6]
2.1
Bij exploot van 3 juli 2019 heeft de vrouw jegens de man aanspraak gemaakt op een bedrag van € 8.500,-- aan verbeurde dwangsommen tot en met 27 juni 2019. [7] Bij exploot van 11 juli 2019 heeft de vrouw ten laste van de man executoriaal beslag op zijn woning laten leggen omdat de man de volgens de vrouw verbeurde dwangsommen niet had betaald. [8] Dat exploot vermeldt een verschuldigd bedrag van € 10.273,52.
2.11
De woning is in opdracht van de man op 22 oktober 2019 te koop gezet op de website van Kuub Makelaardij.
2.12
De man heeft op 29 juni 2020 een bedrag van € 10.273,52 aan de vrouw betaald.
2.13
Bij exploot van 9 juli 2020 heeft de vrouw ten laste van de man opnieuw executoriaal beslag op zijn woning laten leggen voor een bedrag van € 11.107,-- uit hoofde van verbeurde dwangsommen en proceskosten. [9]
2.14
De woning van de man is op 9 juli 2020 executoriaal verkocht voor een bedrag van € 475.000,--. De executiekosten van de notaris van € 2.287,88 zijn op dit bedrag in mindering gebracht, waarna de opbrengst van € 472.712,12 is gestort onder [notaris] .
2.15
Aan ELQ is door de notaris na goedkeuring van de voorzieningenrechter ex art. 3:270 lid 3 BW Pro een bedrag van € 297.912,42 overgemaakt. ELQ heeft van dit bedrag € 1.006,84 teruggestort op de rekening van de notaris. Blijkens de door [notaris] opgemaakte eindafrekening resteert na aftrek van griffierechten en administratieve kosten een bedrag van € 169.684,54.
2.16
Op verzoek van de man is bij beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 november 2020 een rechter-commissaris benoemd, te wier overstaan de verdeling van het restant van de executoriale netto-opbrengst van de woning zal plaatsvinden. [10] Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- [notaris] ;
- ELQ;
- Haringman Betonwaren B.V. (executoriaal beslaglegger); en
- de vrouw (executoriaal beslaglegger).
Voornoemde belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun vorderingen bij de rechter-commissaris aan te melden.
2.17
[notaris] , ELQ, Haringman Betonwaren B.V. en de vrouw hebben tijdig de volgende vorderingen ingediend ten laste van de man:
- [notaris] € 1.000.,-- excl. btw;
- [notaris] € 481,76;
- ELQ € 11.454,27;
- Haringman Betonwaren B.V. € 70.192,80; en
- de vrouw € 12.283,17
2.18
Bij proces-verbaal van 20 januari 2021 heeft de rechter-commissaris een staat van verdeling opgemaakt. [11] Deze luidt als volgt:
“De rechter-commissaris:
Stelt vast dat na aftrek van de vordering van de separatist een bedrag van € 176.462,17 resteert ter verdeling onder concurrente schuldeisers:
neemt de volgende concurrente vorderingen voorwaardelijk in de voorlopige staat van verdeling op:
- [de vrouw] ten bedrage van € 12.283,57;
- Haringman Betonwaren B.V. ten bedrage van € 70.192,80;
- [notaris] ten bedrage van € 1.000,-- exclusief btw;
- [notaris] ten bedrage van € 481,76.”
2.19
De man heeft tegenspraak gedaan tegen de (voorlopige) staat van verdeling.
2.2
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 april 2021 is vermeld dat nu de rechter-commissaris de partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen verenigen, zij de zaken verwijst naar de rolzitting van de rechtbank van 19 mei 2021 zodat in die procedures omtrent de geschillen tussen de man en de verschillende schuldeisers over de verschuldigdheid door de man van de door hen ingestelde vorderingen kan worden beslist. [12]

3.Procesverloop

3.1
Nadat de rechter-commissaris de zaken op de voet van art. 486 lid 1 Rv Pro heeft verwezen naar de rolzitting van 19 mei 2021, heeft de vrouw bij eis tot verificatie gevorderd – samengevat en zoals begrepen door de rechtbank – haar vordering van € 12.385,27 te erkennen, zodat deze vordering in de definitieve staat van verdeling wordt opgenomen. [13]
3.2
De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de man bij, in kracht van gewijsde gegaan, vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2018 is veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning (zie voor de veroordeling 2.7 hiervoor). De man heeft, ondanks verzoeken en sommaties daartoe, geweigerd aan het vonnis te voldoen waarna zij bij exploot van 16 april 2019 de dwangsommen heeft aangezegd aan de man (zie 2.9 hiervoor). Pas op 22 oktober 2019 is de woning daadwerkelijk te koop gezet (zie 2.11 hiervoor). Dat is 189 dagen na de aanzegging van de dwangsommen door de vrouw op 16 april 2019, zodat de man een bedrag aan dwangsommen heeft verbeurd van 189 x € 100,-- = € 18.900,--, Op 29 juni 2020 heeft de man een bedrag van € 10.273,-- voldaan, zodat een bedrag aan openstaande dwangsommen resteerde van (€ 18.900,-- - € 10.273,52 =) € 8.627,--. Daarnaast had de vrouw een vordering op de man in verband met een door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 23 juni 2020 uitgesproken proceskostenveroordeling van € 2.480,--. De man was, volgens de vrouw, dus in totaal aan haar verschuldigd een bedrag van (€ 8.627,-- + € 2.480,-- =) € 11.107,--. Omdat de man in gebreke is gebleven met betaling van dit bedrag is hij incassokosten verschuldigd ten bedrage van € 1.278,67. De totale vordering van de vrouw op de man bedraagt daarmee (€ 11.107,-- + € 1.278,67 =) € 12.385,67.
3.3
De man heeft verweer gevoerd, waarna de rechtbank bij tussenvonnis een mondelinge behandeling heeft bevolen. Die heeft vervolgens plaatsgevonden op 17 december 2021. [14]
3.4
De rechtbank heeft bij vonnis van 16 maart 2022 de vordering van de vrouw tot een bedrag van € 12.283,17 erkend, de man (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, als volgt overwogen.
3.5
De vrouw is niet-ontvankelijk voor zover haar vordering tot erkenning (€ 12.385,67) meer bedraagt dan het bedrag van de vordering die zij heeft ingediend bij de rechter-commissaris (€ 12.283,17) (rov. 4.3).
3.6
Ten aanzien van het gevorderde bedrag wegens verbeurde dwangsommen (€ 8.627,--) overweegt de rechtbank dat tussen partijen in geschil is of de man over de periode van 5 augustus 2019 tot 22 oktober 2019 dwangsommen heeft verbeurd. Bij de beantwoording van die vraag moet hetgeen in het vonnis van 25 april 2018 is overwogen en beslist tot uitgangspunt worden genomen, aangezien de dwangsom aan de veroordeling in dit vonnis is verbonden. De rechtbank overweegt dat het niet tot taak heeft de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De beoordeling blijft in dit geschil beperkt tot de toetsing van de door de man ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling in het vonnis van 25 april 2018, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen (rov. 4.4). De rechtbank overweegt daarna dat door de vrouw onweersproken is gesteld dat de man op 5 augustus 2019 opdracht heeft gegeven om de woning in de stille verkoop te zetten en dit niet te publiceren. Daarmee wordt de man naar het oordeel van de rechtbank niet geacht de veroordeling in het vonnis van 25 april 2018 te zijn nagekomen zodat de man over de periode van 5 augustus 2019 tot 22 oktober 2019 dwangsommen heeft verbeurd (rov. 4.5).
3.7
Verder overweegt de rechtbank dat ook het deel van de vordering dat ziet op de proceskosten (€ 2.480,--) en op de incassokosten (€ 1.278,67) kan worden toegewezen (rov. 4.7-4.8).
3.8
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de vrouw met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide procedures.
3.9
De vrouw heeft verweer gevoerd, waarna een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. [15]
3.1
Bij arrest van 5 september 2023 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, de man in de proceskosten veroordeeld en het meer of anders gevorderde afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
3.11
Het hof zet allereerst de toepasselijke maatstaf voorop. Het overweegt dat de vraag of de man aan de in het vonnis van 25 april 2018 verlangde prestatie heeft voldaan, moet worden beantwoord door hetgeen hij ter uitvoering van de veroordeling heeft verricht, te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. De veroordeling moet worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid. [16] Daarbij kan betekenis toekomen aan hetgeen in de gedingstukken is aangevoerd over het geschilpunt waarop de overwegingen en de beslissing betrekking hebben. [17] Bij de uitleg dienen verder het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. [18] Is een veroordeling algemeen geformuleerd, dan kan er afhankelijk van de veroordeling en de omstandigheden van het geval, aanleiding zijn deze veroordeling zo uit te leggen dat de prestatie ter voldoening aan die veroordeling slechts dan niet aan de veroordeling voldoet, wanneer daarover in ernst niet kan worden getwijfeld. [19] Ten slotte kunnen ook de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van belang zijn (rov. 3.11). [20]
3.12
Vervolgens overweegt het hof dat de vraag die partijen verdeeld houdt en die thans beantwoord dient te worden, is of de man aan de veroordeling heeft voldaan door de woning per 5 augustus 2019 in de stille verkoop aan te bieden (rov. 3.12). Het hof neemt hierbij tot uitgangspunt dat ‘actieve verkoop’ de meest gangbare vorm is van het te koop aanbieden van een pand. Onder actieve verkoop verstaat het hof het te koop aanbieden van een pand, waarbij de verkoop actief en voortdurend onder de aandacht van het publiek wordt gebracht, via alle beschikbare middelen. Onder ‘stille verkoop’ wordt verstaan het te koop aanbieden van een pand, waarbij geen ruchtbaarheid wordt gegeven aan de verkoop en de verkoop van het pand niet bekend wordt gemaakt aan het publiek via advertenties in de (social) media en/of via een “te koop”-bord bij of aan het pand. Daarnaast wordt het pand niet aangeboden en getoond via een verkoopwebsite als Funda of de website van de verkoopmakelaar (rov. 3.13).
3.13
Daarna overweegt het hof, in rov. 3.14, dat het voor de uitleg van de veroordeling in het dictum van het vonnis van 25 april 2018 van belang acht dat de rechtbank aan de veroordeling van de man onder andere ten grondslag heeft gelegd dat:
- partijen noch bij het afsluiten van de hypothecaire geldlening, noch bij het verbreken van hun relatie, afspraken met elkaar hebben gemaakt over de consequenties van het verbreken van hun relatie in combinatie met het gegeven dat de woning eigendom is en blijft van de man, terwijl de vrouw mede aansprakelijk bleef voor de daarvoor aangegane geldleenovereenkomst, en dat zij het daarover, ondanks gevoerd overleg, ook later niet eens zijn geworden (zie rov. 4.8 van het vonnis van 25 april 2018);
- de rechtsverhouding tussen partijen daardoor niet wordt beheerst door contractuele afspraken, behalve dan door de afspraken die zij samen met de bank hebben gemaakt en overigens slechts door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (zie rov. 4.9 van het vonnis van 25 april 2018);
- de vrouw, indien verkoop van de woning achterwege blijft, gedurende wellicht een lange reeks van jaren hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de aflossingsvrije hypothecaire geldlening voor de woning van de man, van welke woning de vrouw dus geen eigenaar is en waarvan zij geen gebruik kan maken (zie rov. 4.13 van het vonnis van 25 april 2018);
- aangenomen kan worden dat de vrouw hierdoor wordt beperkt in haar eigen financieringsmogelijkheden, waarbij zij daarnaast het risico loopt dat zij zal worden aangesproken voor betalingsachterstanden aan de zijde van de man en dat de vrouw in het voorjaar van 2014 ook daadwerkelijk is aangesproken voor een betalingsachterstand, waarbij beslag is gelegd op haar uitkering (zie rov. 4.13 van het vonnis van 25 april 2018);
- de beginselen van redelijkheid en billijkheid, die de relatie tussen partijen beheersen, met zich brengen dat het onverkort voortduren van de huidige situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie rov. 4.13 van het vonnis van 25 april 2018);
- direct na het uiteengaan van partijen wellicht nog geen sprake was van een dergelijke mate van onaanvaardbaarheid aangezien ook de vrouw destijds bij het aangaan van de herfinanciering een belang had, maar er ten tijde van het vonnis van 25 april 2018 bijna twaalf jaren waren verstreken sinds het verbreken van de relatie tussen partijen, terwijl uit de stellingen van de man niet volgt dat aan de huidige situatie binnen afzienbare tijd een einde zou kunnen komen (zie rov. 4.13 van het vonnis van 25 april 2018).
3.14
Hierna overweegt het hof dat het uit voorgaande overwegingen van de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien, afleidt dat het doel en de strekking van de veroordeling was ervoor te zorgen dat de aansprakelijkheid van de vrouw voor de hypothecaire geldlening binnen afzienbare tijd zou worden beëindigd door verkoop van de woning en aflossing van de hypothecaire geldlening en dat een daarop afgestemde opdracht zou worden gegeven aan een makelaar. Dat de ontstane situatie in het licht van het geheel aan geconstateerde omstandigheden door de rechtbank als ‘onaanvaardbaar’ wordt gekwalificeerd, duidt erop, zo overweegt het hof, dat de rechtbank vond dat zij met urgentie en voortvarendheid diende te worden geadresseerd. In het licht van de door de rechtbank opgesomde omstandigheden diende ook de man de beslissing van de rechtbank redelijkerwijs zo te begrijpen, en daarmee dat bedoeld is dat de man zich vanaf het moment van de veroordeling diende in te spannen om de woning zo snel mogelijk tegen een reële marktconforme prijs te verkopen (en met dit doel een opdracht diende te verstrekken aan een makelaar), zodat met de opbrengst daarvan de hypothecaire geldlening kon worden afgelost en de aansprakelijkheid van de vrouw zou eindigen. Naar het oordeel van het hof past daarbij slechts een actieve verkoop van de woning, en niet een stille verkoop. Naar algemene ervaringsregels (art. 149 lid 2 Rv Pro) kan immers bij actieve verkoop bij het algemene publiek bekend raken, via de diverse daarbij te benutten media en anderszins, dat de woning te koop staat, terwijl dat bij een stille verkoop niet het geval is. Dan zal (in eerste instantie) de woning slechts te koop worden aangeboden aan door de makelaar te selecteren potentiële kopers en zal het al dan niet verkocht raken van de woning in belangrijke mate afhankelijk zal zijn van een juiste inschatting door de makelaar van de koopbereidheid van die te selecteren potentiële kopers. Het hof voegt hier tot slot nog aan toe dat hoewel in beginsel niet onmogelijk is dat stille verkoop binnen redelijke tijd tot verkoop leidt, redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij eerder tot een substantieel langere verkoopperiode leidt dan actieve verkoop (rov. 3.15).
3.15
Al met al concludeert het hof dat een redelijke uitleg van het vonnis van 25 april 2018 meebrengt dat de daarin opgenomen en met een dwangsom versterkte veroordeling van de man inhoudt dat de man de woning (door een makelaar) in actieve verkoop diende te (laten) plaatsen en dat hij, door dit pas op 22 oktober 2019 te (laten) doen, pas per die datum voldeed aan de hiervoor bedoelde veroordeling. Dit brengt mee dat de man over de periode van 5 augustus 2019 tot 22 oktober 2019 [21] dwangsommen heeft verbeurd (rov. 3.16). De desbetreffende grief van de man tegen het vonnis van de rechtbank slaagt dus niet. Ook de andere grieven van de man slagen niet (rov. 3.18 – 3.20).
3.16
De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [22] De vrouw is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. De man heeft zijn standpunten schriftelijk toegelicht.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
4.2
Onderdeel 1is, zo vermeldt de procesinleiding, gericht tegen rov. 3.14-3.16 waarin het hof heeft overwogen dat een redelijke uitleg van het vonnis van 25 april 2018 meebrengt dat de daarin opgenomen en met een dwangsom versterkte veroordeling van de man inhoudt dat hij de woning door een makelaar in actieve verkoop diende te (laten) plaatsen en dat hij, door dit pas op 22 oktober 2019 te (laten) doen, pas per die datum voldeed aan de hiervoor bedoelde veroordeling, wat met zich meebrengt dat de man over de periode van 5 augustus 2019 tot 22 oktober 2019 [23] dwangsommen heeft verbeurd. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, met voorbijgaan aan essentiële stellingen van de man. De procesinleiding bevat onder het kopje ‘nadere uitwerking en toelichting’ drie subonderdelen.
4.3
Onderdeel 1.1klaagt dat onbegrijpelijk is dat de door het hof in rov. 3.14 opgesomde omstandigheden voor de uitleg van de veroordeling in het dictum van het vonnis van 25 april 2018 van belang zouden zijn. Die omstandigheden (noch afzonderlijk, noch in onderling verband bezien) zeggen immers niets omtrent de vraag of de man aan de veroordeling heeft voldaan door de woning per 5 augustus 2019 in stille verkoop te koop aan te bieden.
4.4
Deze klacht slaagt niet. Zoals het hof, in cassatie onbestreden, heeft overwogen, is de vraag die partijen verdeeld houdt of de man aan de veroordeling van het vonnis van 25 april 2018 heeft voldaan door de woning per 5 augustus 2019 in de stille verkoop aan te bieden. Voor beantwoording van deze vraag dient de veroordeling in het vonnis van 25 april 2018 te worden uitgelegd. Het hof heeft in dit verband in rov. 3.11 terecht, en in cassatie eveneens onbestreden, vooropgesteld dat de veroordeling moet worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid. Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. [24] Een dictum van een uitspraak staat niet op zichzelf. Het dictum vloeit voort uit de overwegingen van de beslissing. De motivering zal dus, in de woorden van Van der Helm, handvatten verschaffen bij de uitleg van een dictum. [25]
4.5
De door het hof opgesomde omstandigheden die de rechtbank aan de veroordeling in het vonnis van 25 april 2018 ten grondslag heeft gelegd, zijn dus wel degelijk van belang voor de vraag of de man aan de door de rechtbank opgelegde veroordeling heeft voldaan. Het hof komt immers onder andere op basis van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat de veroordeling in het vonnis van 25 april 2018 zo moet worden uitgelegd dat de man de woning in de actieve verkoop diende te plaatsen. De klacht faalt dus.
4.6
Onderdeel 1.2klaagt vervolgens dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof niet in zijn oordeel heeft betrokken de essentiële stelling van de man dat hij op advies van de makelaar de woning in de stille verkoop heeft geplaatst, omdat dit volgens de makelaar een hogere opbrengst zou opleveren. [26] Opgemerkt wordt dat de man niet betwist dat, zoals het hof in rov. 3.15 heeft overwogen, dat doel en de strekking van de veroordeling was ervoor te zorgen dat de aansprakelijkheid van de vrouw voor de hypothecaire geldlening binnen afzienbare tijd zou worden beëindigd door verkoop van de woning en aflossing van de hypothecaire geldlening en dat een daarop afgestemde opdracht zou worden gegeven aan een makelaar en dat de man zich diende in te spannen om de woning zo snel mogelijk tegen een reële marktconforme prijs te verkopen. Geklaagd wordt dat onbegrijpelijk is dat daarbij naar het oordeel van het hof slechts een actieve verkoop van de woning, en niet een stille verkoop, past (rov. 3.15) respectievelijk dat een redelijke uitleg van het vonnis van 25 april 2018 meebrengt dat de daarin opgenomen en met een dwangsom versterkte veroordeling van de man inhoudt dat hij de woning (door een makelaar) in actieve verkoop diende te (laten) plaatsen en dat hij, door dit pas op 22 oktober 2019 te (laten) doen, pas per die datum aan die veroordeling voldeed (rov. 3.16). Geklaagd wordt dat, hoewel, zoals het hof heeft overwogen, redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een stille verkoop eerder tot een substantieel langer verkoopperiode leidt dan actieve verkoop, de man in redelijkheid op het advies van de makelaar mocht afgaan, temeer omdat (i) de vrouw daar ook bij zou zijn gebaat, (ii) het vonnis van 25 april 2019 niet vermeldt dat de woning in de actieve verkoop geplaatst diende te worden en er dus niet op bedacht had hoeven zijn dat hij erop zou worden afgerekend als hij (om te beginnen) zou proberen de woning via stille verkoop van de hand te doen, (iii) niet gesteld of gebleken is dat de vrouw op enigerlei wijze is benadeeld en (iv) de man, nadat het niet was gelukt om de woning door middel van stille verkoop te verkopen, de woning op 22 oktober 2019 in actieve verkoop heeft gezet.
4.7
Ook deze klacht slaagt niet. Het uitgangspunt van de veroordeling in het vonnis van 25 april 2018 is, naar het oordeel van het hof, dat de woning zo snel mogelijk wordt verkocht, omdat de vrouw belang heeft bij ontslag uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Zolang de hoofdelijke aansprakelijkheid voortduurt, wordt zij immers belemmerd in haar eigen financieringsmogelijkheden en loopt zij het risico om voor betalingsachterstanden te worden aangesproken (hetgeen in het verleden ook al is gebeurd). Het doel van de veroordeling van het vonnis van 25 april 2018 was, naar het oordeel van het hof, dus een snelle verkoop van de woning en
nieteen zo hoog mogelijke opbrengst van de woning. In dit oordeel van het hof ligt de verwerping besloten van de stelling van de man dat de makelaar hem had geadviseerd om de woning in de stille verkoop te plaatsen, omdat dat een hogere opbrengst zou opleveren. De man mocht in dit geval niet op het advies van de makelaar afgaan, omdat hij door de rechtbank was veroordeeld om de woning zo snel mogelijk te verkopen. De in het subonderdeel genoemde omstandigheden waarom de man wel mocht afgaan op het advies van de makelaar maken dit alles niet anders. Die omstandigheden miskennen immers dat de vrouw, ten tijde van de veroordeling uitgesproken door de rechtbank, géén belang had bij een hogere opbrengst. Zij had belang bij een spoedige verkoop van de woning zodat zij niet langer meer geconfronteerd zou worden met de hoofdelijke aansprakelijkheid. De door de man genoemde omstandigheden gaan er ook aan voorbij dat het, gelet op de veroordeling in het vonnis, niet langer aan de man was om te bepalen wanneer en hoe hij de woning in de verkoop zou plaatsen.
4.8
Onderdeel 1.3klaagt tot slot dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het vonnis van de rechtbank omdat in het vonnis van de rechtbank niet expliciet een termijn is genoemd waarbinnen de man, als de door de rechtbank genoemde makelaar niet bereid zou zijn de verkoopopdracht aan te nemen (welke situatie zich in casu heeft voorgedaan) een verkoopopdracht aan een andere makelaar diende te geven. Sterker nog, zo wordt geklaagd, alsdan was het aan de vrouw om een NVM makelaar te [plaats] aan te wijzen waaraan zij niet heeft voldaan, hetgeen de man niet kan worden verweten. Aldus heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg aan het vonnis van de rechtbank gegeven door in rov. 3.15 te oordelen dat de man van 5 augustus 2019 tot 22 oktober 2019 [27] dwangsommen heeft verbeurd. [28]
4.9
Deze klacht berust op een verkeerde lezing van de veroordeling in het vonnis van 25 april 2018. De rechtbank heeft namelijk wél een termijn gegeven waarbinnen de man een verkoopopdracht aan een andere makelaar diende te geven als de door de rechtbank genoemde makelaar niet bereid zou zijn de verkoopopdracht aan te nemen. Ook dan diende de man binnen vier weken na de periode van drie maanden een verkoopopdracht te verstrekken. Dit volgt duidelijk uit de hierna door mij onderstreepte passages van het dictum van het vonnis van 25 april 2018:

De rechtbank
5.1.
veroordeelt de man(voor het geval de vrouw binnen drie maanden na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis niet ontslagen is uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid):
a.
om [de woning] te [plaats] binnen vier weken na die periode van drie maanden te koop aan te biedendoor tussenkomst van een door partijen samen aan te wijzen makelaar, dan wel, indien partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijn van drie maanden overeenstemming hebben bereikt over een makelaar, door tussenkomst van:
[makelaar]
[makelaar]
[makelaar]
dan wel, als deze makelaar niet bereid is de verkoopopdracht aan te nemen, een door de vrouw binnen een week na het verstrijken van voornoemde periode van drie maanden aan te wijzen NVM makelaar in [plaats] ,
tegen een reële marktconforme door die (gekozen of aangewezen) makelaar vast te stellen prijs en door binnen vier weken na die periode van drie maanden een verkoopopdracht aan deze (gekozen of aangewezen) makelaar te verstrekken conform de door deze makelaar vastgestelde reële marktconforme prijs, op straffe van een dwangsom van €100,00 per dag dat de man daarmee in gebreke blijft.”
4.1
Uit de hiervoor weergegeven (onderstreepte gedeeltes van de) veroordeling blijkt duidelijk dat de man is veroordeeld om binnen vier weken na de periode van drie maanden de woning te koop aan te bieden door een verkoopopdracht te verstrekken aan een makelaar. Voor (de (lengte van) de termijn maakt het niet uit of de opdracht wordt verstrekt aan (i) een door de man en de vrouw gezamenlijk gekozen makelaar, (ii) de door de rechtbank aangewezen makelaar of (iii) een door de vrouw aangewezen makelaar. De klacht faalt reeds daarom.
4.11
Voor de volledigheid merk ik nog op dat de in het subonderdeel genoemde omstandigheid dat de vrouw zou hebben nagelaten een NVM Makelaar te [plaats] aan te wijzen het voorgaande niet anders maakt. Zoals het hof in rov. 3.12, in cassatie onbestreden, heeft overwogen, is de vraag die partijen verdeeld houdt of de man aan de veroordeling van het vonnis van 25 april 2018 heeft voldaan door de woning per 5 augustus 2019 in de stille verkoop aan te bieden. Het gaat dus niet om de vraag of de man niet tijdig aan de veroordeling heeft kunnen voldoen omdat de vrouw zou hebben nagelaten een makelaar aan te wijzen. Het middel vermeldt ook geen vindplaatsen naar de processtukken in de feitelijke instanties waar een dergelijke stelling zou zijn ingenomen. [29]
4.12
Alles bij elkaar genomen faalt onderdeel 1 volledig.
4.13
Onderdeel 2bevat slechts een voortbouwklacht gericht tegen rov. 3.17 tot en met 4. Dit onderdeel faalt in het voetspoor van onderdeel 1.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof ’s-Hertogenbosch 5 september 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2820.
2.Uit het tussenarrest van hof ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:988, leid ik af dat een executieverkoop van de woning dreigde door een belastingschuld die door de man moest worden betaald. Zijn salaris was in die periode onvoldoende voor herfinanciering, terwijl als het salaris van de vrouw meegenomen zou worden herfinanciering wel mogelijk zou zijn (zie rov. 3.1.2 van voornoemd arrest, dit betreft het tussenarrest in het hoger beroep tegen het in 2.7 genoemde vonnis).
3.Zie het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2018, rov. 2.4 (overgelegd door de vrouw als productie 1 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie). Zie ook het tussenarrest in hoger beroep van voornoemd vonnis van 12 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:988, rov. 3.1.4.
4.Zie rov. 3.1 van het in de vorige voetnoot vermelde vonnis.
5.ECLI:NL:GHSHE:2019:2284. In dit arrest valt in rov. 6.5.1 te lezen dat de vrouw heeft gesteld dat de man op 10 februari 2011 onherroepelijk is veroordeeld voor stalking van de vrouw.
6.Dit exploot is door de vrouw overgelegd als productie 3 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie.
7.Dit exploot is door de vrouw overgelegd als productie 4 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie.
8.Dit exploot is door de vrouw overgelegd als productie 4 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie. De man heeft in kort geding gevorderd het gelegde executoriale beslag op te heffen. Dit is door de voorzieningenrechter afgewezen. Zie het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 januari 2020, overgelegd door de vrouw als productie 14 bij de akte van 28 juli 2021. Het vonnis in hoger beroep bekrachtigd. Zie het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2020, overgelegd door de vrouw als productie 8 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie.
9.Dit exploot is door de vrouw overgelegd als productie 7 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie.
10.Deze beschikking is overgelegd als nr. 3 van het procesdossier in cassatie.
11.Dit p-v is door de vrouw overgelegd als productie 10 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie en door de man als nr. 4 van het procesdossier in cassatie.
12.Dit p-v is door de vrouw overgelegd als productie 11 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie en door de man als nr. 2 van het procesdossier in cassatie.
13.De onderhavige renvooiprocedure op grond van art. 486 Rv Pro is aangevangen met de verwijzing door de rechter-commissaris. Zie Snijders, Klaassen, Krans & Meijer,
14.Een proces-verbaal van de mondelinge behandeling ontbreekt in het dossier.
15.Een proces-verbaal van de mondelinge behandeling ontbreekt in het dossier. Het dossier bevat evenmin de spreekaantekeningen van de vrouw.
16.Het hof verwijst hier naar HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369.
17.Het hof verwijst hier naar HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2012:BT1852.
18.Het hof verwijst hier naar HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367 en HR 23 februari 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZJ085.
19.Het hof verwijst hier naar HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0431.
20.Het hof verwijst hier naar HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367.
21.Het hof schrijft hier per abuis ‘2023’ in plaats van ‘2019’.
22.De procesinleiding is op 24 november 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
23.Het middel vermeldt hier, in navolging van het hof, ‘2023’ in plaats van ‘2019’. Zie voetnoot 21.
24.Het hof verwijst hier naar HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369. Maar zie ook eerdere rechtspraak bijv. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553 rov. 3.5, HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7084, rov. 4.2.2 en HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532, rov. 3.4.2. Zie voor meer rechtspraak ook de noot van A.W. Jongbloed bij hof ’s-Hertogenbosch 2 juni 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1703,
25.J.J. van der Helm,
26.Het middel verwijst hier naar par. 4.4 van de memorie van grieven van de man en productie 27 van de man (een e-mail van de makelaar van 27 september 2019).
27.Het middel vermeldt hier wederom in navolging van het hof ‘2023’ in plaats van ‘2019’.
28.He middel verwijst hier in voetnoot 3 naar rov. 4.4 van het vonnis in kort geding van 9 januari 2020 (productie 14 van de vrouw).
29.Overigens oordeelde het hof ’s-Hertogenbosch in een andere procedure tussen dezelfde partijen (over opheffing van het door de vrouw gelegde beslag) dat waar zowel de man als de vrouw in september 2018 Kuub Makelaars heeft benaderd om de woning te verkopen, het voor de man duidelijk moest zijn dat de vrouw met deze makelaar instemde en dat de man aan deze makelaar een verkoopopdracht diende te verstrekken hetgeen de man toen niet heef gedaan. Zie rov. 3.7 van het arrest van hof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2020, overgelegd door de vrouw als productie 8 bij de conclusie van eis in renvooi houdende vordering tot verificatie. Dit arrest betreft het hoger beroep tegen het in voetnoot 3 van het middel genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van 9 januari 2020.