Conclusie
advocaat: K. Aantjes
1.Inleiding en samenvatting
De man en de vrouw hebben tussen 2001 en 2006 een affectieve relatie gehad en samengewoond in de woning van de man. In 2005 is een recht van hypotheek op de woning gevestigd. Dit betrof een herfinanciering in de vorm van een aflossingsvrije hypothecaire geldlening tot een bedrag van € 285.000,--. De vrouw heeft haar medewerking aan de financiering gegeven waardoor zij hoofdelijk aansprakelijk werd voor de financiering. Nadat de relatie in 2006 is beëindigd, is het niet gelukt om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan. Uiteindelijk is de man door de rechtbank bij vonnis van 25 april 2018 veroordeeld om de woning te koop te zetten. Deze veroordeling is versterkt met een dwangsom.
2.Feiten
a. om [de woning] te [plaats] binnen vier weken na die periode van drie maanden te koop aan te bieden door tussenkomst van een door partijen samen aan te wijzen makelaar, dan wel, indien partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijn van drie maanden overeenstemming hebben bereikt over een makelaar, door tussenkomst van:
[makelaar]
[makelaar]
[makelaar]
dan wel, als deze makelaar niet bereid is de verkoopopdracht aan te nemen, een door de vrouw binnen een week na het verstrijken van voornoemde periode van drie maanden aan te wijzen NVM makelaar in [plaats] , tegen een reële marktconforme door die (gekozen of aangewezen) makelaar vast te stellen prijs en door binnen vier weken na die periode van drie maanden een verkoopopdracht aan deze (gekozen of aangewezen) makelaar te verstrekken conform de door deze makelaar vastgestelde reële marktconforme prijs, op straffe van een dwangsom van €100,-- per dag dat de man daarmee in gebreke blijft, (...).”
- [notaris] ;
- ELQ;
- Haringman Betonwaren B.V. (executoriaal beslaglegger); en
- de vrouw (executoriaal beslaglegger).
Voornoemde belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun vorderingen bij de rechter-commissaris aan te melden.
- [notaris] € 1.000.,-- excl. btw;
- [notaris] € 481,76;
- ELQ € 11.454,27;
- Haringman Betonwaren B.V. € 70.192,80; en
- de vrouw € 12.283,17
- Haringman Betonwaren B.V. ten bedrage van € 70.192,80;
- [notaris] ten bedrage van € 1.000,-- exclusief btw;
- [notaris] ten bedrage van € 481,76.”
3.Procesverloop
- de rechtsverhouding tussen partijen daardoor niet wordt beheerst door contractuele afspraken, behalve dan door de afspraken die zij samen met de bank hebben gemaakt en overigens slechts door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (zie rov. 4.9 van het vonnis van 25 april 2018);
- aangenomen kan worden dat de vrouw hierdoor wordt beperkt in haar eigen financieringsmogelijkheden, waarbij zij daarnaast het risico loopt dat zij zal worden aangesproken voor betalingsachterstanden aan de zijde van de man en dat de vrouw in het voorjaar van 2014 ook daadwerkelijk is aangesproken voor een betalingsachterstand, waarbij beslag is gelegd op haar uitkering (zie rov. 4.13 van het vonnis van 25 april 2018);
- de beginselen van redelijkheid en billijkheid, die de relatie tussen partijen beheersen, met zich brengen dat het onverkort voortduren van de huidige situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie rov. 4.13 van het vonnis van 25 april 2018);
- direct na het uiteengaan van partijen wellicht nog geen sprake was van een dergelijke mate van onaanvaardbaarheid aangezien ook de vrouw destijds bij het aangaan van de herfinanciering een belang had, maar er ten tijde van het vonnis van 25 april 2018 bijna twaalf jaren waren verstreken sinds het verbreken van de relatie tussen partijen, terwijl uit de stellingen van de man niet volgt dat aan de huidige situatie binnen afzienbare tijd een einde zou kunnen komen (zie rov. 4.13 van het vonnis van 25 april 2018).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
nieteen zo hoog mogelijke opbrengst van de woning. In dit oordeel van het hof ligt de verwerping besloten van de stelling van de man dat de makelaar hem had geadviseerd om de woning in de stille verkoop te plaatsen, omdat dat een hogere opbrengst zou opleveren. De man mocht in dit geval niet op het advies van de makelaar afgaan, omdat hij door de rechtbank was veroordeeld om de woning zo snel mogelijk te verkopen. De in het subonderdeel genoemde omstandigheden waarom de man wel mocht afgaan op het advies van de makelaar maken dit alles niet anders. Die omstandigheden miskennen immers dat de vrouw, ten tijde van de veroordeling uitgesproken door de rechtbank, géén belang had bij een hogere opbrengst. Zij had belang bij een spoedige verkoop van de woning zodat zij niet langer meer geconfronteerd zou worden met de hoofdelijke aansprakelijkheid. De door de man genoemde omstandigheden gaan er ook aan voorbij dat het, gelet op de veroordeling in het vonnis, niet langer aan de man was om te bepalen wanneer en hoe hij de woning in de verkoop zou plaatsen.
De rechtbank
om [de woning] te [plaats] binnen vier weken na die periode van drie maanden te koop aan te biedendoor tussenkomst van een door partijen samen aan te wijzen makelaar, dan wel, indien partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijn van drie maanden overeenstemming hebben bereikt over een makelaar, door tussenkomst van:
[makelaar]
[makelaar]
[makelaar]
tegen een reële marktconforme door die (gekozen of aangewezen) makelaar vast te stellen prijs en door binnen vier weken na die periode van drie maanden een verkoopopdracht aan deze (gekozen of aangewezen) makelaar te verstrekken conform de door deze makelaar vastgestelde reële marktconforme prijs, op straffe van een dwangsom van €100,00 per dag dat de man daarmee in gebreke blijft.”