De inspecteur legde belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting 2013 op, waarop zij bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de dwangsombeschikking gegrond, maar wees het overige bezwaar af. Belanghebbende stelde dat zij pas bekend werd met de aanslag door ontvangst van een dwangbevel in maart 2017, na afloop van de bezwaartermijn.
Het hof oordeelde dat de aanslag tijdig was vastgesteld en bekendgemaakt aan het juiste adres. De bezwaartermijn eindigde derhalve op 25 januari 2017. Het bezwaarschrift was pas op 18 april 2017 gedagtekend en op 18 mei 2017 ontvangen, wat te laat was. Hoewel het hof veronderstellenderwijs aannam dat belanghebbende de aanslag pas later kende, was het bezwaarschrift ook dan niet binnen de redelijke termijn van twee weken ingediend.
Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur haar per e-mail had moeten informeren over de aanslag, maar het hof stelde dat de wet geen verplichting tot e-mailnotificatie kent. Het hof concludeerde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.