Belanghebbende, ondernemer in het schrijven van scenario’s voor film en toneel, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode november 2013 tot en met september 2015. De Inspecteur voerde een boekenonderzoek uit en stelde vast dat de door belanghebbende opgevoerde voorbelasting niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Tijdens het hoger beroep heeft het hof het oordeel van de rechtbank overgenomen dat belanghebbende niet aan haar bewijslast heeft voldaan. De door belanghebbende overgelegde bankafschriften met handgeschreven aantekeningen en enkele facturen boden onvoldoende inzicht in het zakelijke karakter van de uitgaven. Ook het argument dat administratie was verloren door diefstal werd verworpen, omdat dit geen betrekking had op de periode na de diefstal. De naheffingsaanslag werd verminderd met een bedrag voor een fictieve dienst voor privégebruik auto die de Inspecteur had laten vallen.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. De naheffingsaanslag werd verminderd tot € 11.560. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van € 2.100 aan belanghebbende. De uitspraak is op 24 januari 2020 gedaan door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.