ECLI:NL:HR:2022:278
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake naheffingsaanslag omzetbelasting en verwijst zaak terug
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 november 2013 tot en met 30 september 2015, inclusief de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd het hoger beroep behandeld door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.
De Hoge Raad constateerde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd over de toepassing van artikel 8:42 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat betrekking heeft op de op de zaak betrekking hebbende stukken en de taak van de rechter bij discussie over de compleetheid van het dossier. Hierdoor kon het arrest van het Hof niet in stand blijven.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten, en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de helft van de proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.