Uitspraak
s-HERTOGENBOSCH
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure stond centraal of appellante, als deelgenoot in een onverdeelde gemeenschap, gerechtigd was om huurpenningen te innen van geïntimeerden na ontbinding van de huurovereenkomst. Het appartement was verhuurd door haar ex-partner, met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Na echtscheiding was het appartement aan appellante toebedeeld, maar de goederenrechtelijke overdracht had niet plaatsgevonden, waardoor de gemeenschap onverdeeld bleef.
Appellante vorderde betaling van achterstallige huur en incassokosten, stellende dat zij de verhuurder was. Geïntimeerden betwistten dit en hielden betalingen in wegens gebreken. De kantonrechter wees de vordering van appellante af omdat zij niet kon aantonen dat zij de verhuurder was geworden.
Het hof bevestigde deze beslissing en oordeelde dat het appartement onderdeel bleef van een onverdeelde gemeenschap tussen appellante en haar ex-partner. Op grond van artikel 3:170 BW Pro is gezamenlijk beheer vereist, waardoor appellante niet zelfstandig huurpenningen kon innen. De vordering werd afgewezen en appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering af omdat appellante niet zelfstandig huurpenningen kan innen zonder medewerking van mede-eigenaar in onverdeelde gemeenschap.