Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 22 november 2019;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 maart 2020;
3.De beoordeling
5. De werkgever laat de werknemer minimaal één maand voor het aflopen van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk weten of, en zo ja tegen welke
Hoi [vennoot] ,
Hoi [de werkneemster] ,
Goedemiddag [de werkneemster] ,
Dag [de werkneemster] ,
Doeg [de werkneemster] !
Doe ik vanavond, groetjes.”
Hoi, wat is de bedoeling moet ik nu 1 april nog komen werken?”
€ 400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de datum van algehele voldoening daarvan;
De eis van schriftelijkheid is van dwingend recht en dient als waarborg om discussies achteraf te voorkomen.
heeft ter zitting in hoger beroep het volgende toegelicht. [naam 2] werkte bij [de werkgever] en heeft haar destijds benaderd om ook bij [de werkgever] te komen werken omdat hij onder meer de magazijnwerkzaamheden niet meer alleen aankon. Na de mondelinge mededeling in de herfst van 2018 dat haar contract na 31 maart 2019 om financiële redenen niet verlengd kon worden, ging [de werkneemster] ervan uit dat haar arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden en is zij op zoek gegaan naar ander werk. In november 2018 heeft zij de mogelijkheid van een baan bij de NS verkend, in december heeft zij gereageerd op een advertentie van een penitentiaire inrichting en in januari 2019 is zij bij [naam 3] langs geweest. Op 5 februari 2019 heeft [de werkneemster] de selectiedag bij de penitentiaire inrichting succesvol afgerond. Zij was enthousiast over deze mogelijke baan. Vervolgens zijn vanaf februari 2019 meerdere collega’s bij [de werkgever] vertrokken, waaronder [naam 2] (werkzaam in het magazijn en achter de balie), en een drietal monteurs. Hun contracten waren niet door [de werkgever] opgezegd en vooral toen [de werkneemster] hoorde dat [naam 2] wegging dacht ze dat zij dan misschien alsnog zou kunnen blijven, hetgeen eerder was gebeurd met [naam 4] , een monteur aan wie in de herfst van 2018 ook was medegedeeld dat zijn contact niet verlengd zou worden, hetgeen vervolgens toch gebeurde. Omdat [naam 2] pas op 29 maart 2019 bij [de werkgever] zijn contract wilde opzeggen durfde [de werkneemster] dit niet voor die datum aan te kaarten bij [de werkgever] . Op vrijdag 29 maart 2019 heeft [de werkneemster] vervolgens op advies van FNV een e-mail gestuurd met de vraag of zij die maandag nog moest komen (rov. 3.1.9.).
Tot slot maakt de slechte financiële situatie van [de werkgever] de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar het oordeel van het hof evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Het hof zal devolutief beoordelen of de brief met schriftelijke aanzegging van 2 januari 2019 [de werkneemster] heeft bereikt.
4.De beslissing
- verklaart voor recht dat [de werkgever] niet tijdig heeft voldaan aan de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 sub a BW Pro;
- verklaart voor recht dat [de werkgever] op grond van 7:668 lid 3 BW en op grond van artikel 20 lid 5 van Pro de cao een (aanzeg)vergoeding aan [de werkneemster] is verschuldigd;
- veroordeelt [de werkgever] tot betaling aan [de werkneemster] van € 2.709,11 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2019 tot aan de datum van algehele voldoening daarvan;
- veroordeelt [de werkgever] tot terugbetaling aan [de werkneemster] - door overmaking aan FNV - van de betaalde proceskosten in eerste aanleg van € 400, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de datum van algehele voldoening daarvan;
- veroordeelt [de werkgever] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de procedure in hoger beroep en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van [de werkneemster] op:
- verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het anders of meer verzochte.