Belanghebbende, een autohandelaar die incidenteel auto's exporteert, verzocht om teruggaaf van BPM na export van een Renault Master naar Duitsland. Het verzoek werd echter buiten de wettelijk gestelde termijn van dertien weken ingediend, waardoor de inspecteur het verzoek niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de termijn onrechtmatig was en dat zijn hoorplicht en verdedigingsbeginsel waren geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de procedure werd de gemachtigde van belanghebbende geweigerd vanwege herhaaldelijk beledigend taalgebruik, ondanks waarschuwingen en mogelijkheden tot herstel. Belanghebbende stelde geen nieuwe gemachtigde aan.
Het hof oordeelde dat het verzoek om teruggaaf BPM terecht niet-ontvankelijk was wegens overschrijding van de termijn en verwierp het beroep op het Unierecht. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het hof zag geen grond voor een rentevergoeding of vermindering van griffierecht. De overschrijding van de redelijke termijn werd toegerekend aan de gedragingen van de geweigerde gemachtigde. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.