Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
[geïntimeerde 4],
[geïntimeerde 5],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen buren over een poort en hekwerk die deels op het perceel van de buren staan. De appellant, eigenaresse van een woning, had een poort en hekwerk geplaatst waarvan een deel op het perceel van de buren stond. Zij vorderde op grond van artikel 5:54 BW Pro een erfdienstbaarheid of overdracht van een deel van het perceel om de bestaande toestand te handhaven.
De rechtbank wees de vorderingen van appellant af en veroordeelde haar tot verwijdering van het grensoverschrijdende deel. In hoger beroep handhaafde het hof deze beslissing. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat zij door verwijdering onevenredig zwaarder werd benadeeld dan de buren door handhaving. De kosten voor verwijdering waren niet in zodanige mate disproportioneel en het belang van de buren bij handhaving van hun eigendom woog mee.
Het hof stelde wel de termijn voor verwijdering van drie naar vier maanden, gezien de praktische omstandigheden. De overige grieven faalden. De appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep op artikel 5:54 BW wordt afgewezen en appellant moet binnen vier maanden het grensoverschrijdende deel van het hekwerk en de poort verwijderen.