Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
BoTemp,
Qplus,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord tevens inhoudende incidenteel appel van Qplus, met producties;
- de incidentele vordering in principaal appel tevens inhoudende memorie van antwoord in incidenteel appel en akte uitlating producties van BoTemp;
- de antwoordconclusie in het incident van Qplus.
3.De feiten
4.De vordering en de beslissing in eerste aanleg
5.De vorderingen en beoordeling in hoger beroep
grief 1in het principaal hoger beroep klaagt BoTemp over een onvolledige en onjuiste weergave van de feiten door de eerste rechter. Bij de grief bestaat geen belang omdat het hof hiervoor zelfstandig de feiten heeft vastgesteld en daarbij waar nodig heeft rekening gehouden met de bezwaren van BoTemp. In verband daarmee geldt nog het volgende.
grief 2klaagt BoTemp erover dat de eerste rechter de overeenkomst tussen partijen niet heeft aangemerkt als een overeenkomst van aanneming van werk. In het verlengde daarvan wordt met
grief 3betoogd dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de (kosteloze) ontwikkelfase voorbij was op het moment dat partijen overeenstemming bereikten over de door BoTemp te betalen prijs en in aansluiting daarop klaagt
grief 4erover dat onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is dat de eerste rechter enige vordering van Qplus heeft toegewezen.
Haviltexmaatstaf. Nadat de rechter met behulp van die maatstaf de inhoud van de overeenkomst heeft vastgesteld door middel van uitleg, kan hij beoordelen welke kenmerken die overeenkomst heeft (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034).
“omdat het natuurlijk nog uitproberen is, gaan we voor 2 stuks”, waarin het hof een duidelijke bevestiging leest dat BoTemp die verwachting ook daadwerkelijk niet had. Dat die bewoordingen anders gelezen moeten worden valt uit de toelichting op de grieven niet op te maken.
grief Iin het incidenteel hoger beroept komt Qplus op tegen de honorering door de eerste rechter van het beroep van BoTemp op de vernietiging van de algemene voorwaarden van Qplus, en daarmee tegen de afwijzing van de primair gevorderde contractuele rente en incassokosten. Met
grief IIwordt opgekomen tegen het oordeel van de eerste rechter dat (contractuele of wettelijke) rente verschuldigd is vanaf 20 augustus 2018. Volgens Qplus is het verzuim op grond van de algemene voorwaarden van rechtswege ingetreden vanaf 30 september 2017, de vervaldatum van de factuur van 31 augustus 2017 en daarvan gaat de eis in het incidenteel hoger beroep dan ook uit (zie hiervoor rov. 5.4). Nu de eis in de inleidende dagvaarding nog uitging van 20 augustus 2018 als ingangsdatum waarop de (contractuele of wettelijke) rente is verschuldigd, bevat de eis in hoger beroep - anders dan BoTemp meent onder 14 van haar antwoord in het incidenteel hoger beroep - in zoverre een eisvermeerdering. Die eisvermeerdering is toelaatbaar, want daartoe dient onder meer het hoger beroep. BoTemp heeft er op zichzelf ook geen (processueel) bezwaar tegen gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen aan de beginselen van een goede procesorde ontleend bezwaar tegen deze eisvermeerdering. Het hof zal daarom op de aldus gewijzigde eis recht doen.
tevensaan de wederpartij de in artikel 6:233 onder Pro b BW bedoelde mogelijkheid geboden, indien hij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij langs elektronische weg ter beschikking heeft gesteld op een zodanige wijze dat deze door haar kunnen worden opgeslagen en voor haar toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij heeft bekend gemaakt waar van de voorwaarden langs elektronische weg kan worden kennisgenomen, alsmede dat zij op verzoek langs elektronische weg of op andere wijze zullen worden toegezonden. Het hof begrijpt dat Qplus op deze mogelijkheid doelt.
subsidiairhet standpunt dat de vertragingsrente wordt begroot conform de
€ 1.442(1 punt tarief III)