Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer: C/01/332606 / HA ZA 18-233)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven (met producties);
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tevens houdende akte inzake nieuwe weren van [geïntimeerde sub 1] ;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tevens houdende akte inzake nieuwe weren;
- de akte voorwaardelijke aanvulling van eis van [appellant] d.d. 2 juni 2020;
- de antwoordakte van [geïntimeerde sub 1] d.d. 7 juli 2020;
3.De beoordeling
- een schilderij van [schilder 1] , genaamd [schilderij 1] ;
- een schilderij van [schilder 2] , genaamd [schilderij 2]
- een schilderij van [schilder 3] , genaamd [schilderij 3] .
Zij hebben in een op 31 augustus 1994 ondertekende onderhandse akte hun onderlinge verhoudingen ten aanzien van de schilderijen en de financiering daarvan vastgelegd (prod. B inl, dagv.).
In de periode tussen 1988 en 1998 heeft [broer 1 van appellant] gelden geleend van [geïntimeerde sub 1] en/of door [geïntimeerde sub 1] beheerste rechtspersonen.
“(…)In aanmerking nemende dat:1. door de overledene in de periode tussen één januari negentienhonderdachtentachtig en eenendertig december negentienhonderdachtennegentig als schuldenaar in privé diverse leningen zijn aangegaan met schuldeiser (toev. hof: [geïntimeerde sub 1]
), welke leningen zijn weergegeven in een aan deze akte te hechten overzicht (overzicht I), op grond van welk overzicht schuldenaar op één januari tweeduizend elf in totaal inclusief rente schuldig is aan schuldeiser een bedrag groot een miljoen vierenveertigduizend zevenhonderd negenentwintig euro (€ 1.044.729,00);2. a. door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Vastgoed] BV als schuldenaar op negentien december negentienhonderdnegenenzeventig een overeenkomst van geldlening is gesloten met [Makelaardij geïntimeerde sub 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , (…), in welke akte schuldenaar verklaarde schuldig te zijn aan de schuldeiser een bedrag groot(…. fl. 251.000) ofwel
(…€ 113.898,83);b. voormelde vennootschap is opgeheven en schuldeiser is met de toenmalige aandeelhouders (toev. hof: [geïntimeerde sub 1] en [broer 1 van appellant]
) is overeengekomen dat voormelde schuld in het kader van vereffening voor de helft zou worden overgenomen door ([broer 1 van appellant]
) in privé en voor de andere helft door (toev. hof: [geïntimeerde sub 1]
);c. de sub 2.a. gemelde lening is weergegeven in een aan deze akte te hechten overzicht (…), op grond van welk overzicht (toev. hof: [broer 1 van appellant]
) op één januari tweeduizend elf in totaal inclusief rente schuldig is aan schuldeiser een bedrag groot driehonderd achtenveertigduizend eenhonderd achtennegentig euro (€ 348.198,00);3. a. voormelde geleende bedragen zijn aangewend onder meer ter financiering van na te melden schilderijen;b. na te melden schilderijen voor eenhonderd procent (100%) zijn gefinancierd door schuldenaar (toev. hof: [broer 1 van appellant]
);c. (toev. hof: [broer 1 van appellant] )
en (toev. hof: [appellant]
) beiden, ieder voor de helft, eigenaar zijn van na te melden schilderijen; end. dat door (toev. hof: [broer 1 van appellant]
) aan (toev. hof: [appellant]
) geldleningen zijn verstrekt, welke aan de erven en (toev. hof
: [appellant] ) genoegzaam bekend zijn.4. schuldenaar (toev. hof: [broer 1 van appellant]
) op één januari tweeduizend elf derhalve in totaal schuldig is aan schuldeiser (toev. hof: [geïntimeerde sub 1]
) een bedrag groot een miljoen driehonderd tweeënnegentigduizend negenhonderd zevenentwintig euro (€ 1.392.927,00):(…)verklaren, handelend als gemeld, dat:(…)c. schuldeiser (toev. hof: [geïntimeerde sub 1]
) en de comparanten 1, 2 en 4, handelend als gemeld, de comparanten sub 1 en 2 en de volmachtgever van comparante sub 4 hierna tezamen te noemen “de schuldenaar”, bij wege van schuldvernieuwing zijn overeengekomen dat de schuldenaar aan schuldeiser per één januari tweeduizend elf uit hoofde van geldlening schuldig is, en wel de comparanten 1 en 2 (toev. hof: de erven
) hoofdelijk, voor de ene helft en de volmachtgever van de comparante sub 4 (toev. hof: [appellant]
) voor de andere helft, een bedrag groot een miljoen driehonderd tweeënnegentigduizend negenhonderd zevenentwintig euro (€ 1.392.927,00).Met betrekking tot deze geldlening verklaren de comparanten, handelend als gemeld, overeen te komen als volgt:Rente1. De vanaf één januari tweeduizend elf door de schuldenaar aan de schuldeiser te betalen rente over het geleende bedrag of niet afgeloste gedeelte daarvan bedraagt zes procent (6%) per jaar.(…)Aflossing2. De hoofdsom dient voor zover mogelijk te worden afgelost op het moment dat één of meerdere van na te noemen schilderijen worden verkocht en geleverd.(toev. hof: de onder a. genoemde schilderijen
)4. Indien de netto opbrengst van alle schilderijen tezamen hoger blijkt te zijn dan voormelde hoofdsom ten tijde van de verkoop en levering van de laatste van de schilderijen heeft de schuldeiser recht op vijftig procent (50%) van het aandeel van de comparanten sub 1 en 2, als rechtsopvolgers onder algemene titel van de overledene, in deze meeropbrengst, zulks echter met een maximum van een miljoen euro (€ 1.000.00,00) te vermeerderen met de eventuele door de schuldeiser verschuldigde/betaalde belasting betreffende zijn vordering.
“(…) De akte van geldlening en de daarin opgenomen schuldvernieuwing is derhalve gebaseerd op onjuiste gegevens/niet bestaande schulden. (…) Gezien het vorenstaande is cliënt van mening dat u ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de in de akte vermelde bedrag van € 348.198 en mogelijk op het bedrag van € 1.044.729, alsmede de gevorderd rente. Cliënt vernietigt de afspraken zoals vervat in de akte van geldlening van 4 juli 2011 op de voet van artikel 3:49 jo Pro artikel 3:44 BW Pro en artikel 6:228 jo Pro artikel 6:229 BW Pro. Naar de mening van cliënt is sprake van bedrog en/of misbruik van omstandigheden en hebben de schuldenaren, in ieder geval cliënt, gedwaald over de verplichtingen van de overledene vóór 4 juli 2011. Nu de akte op basis waarvan u executoriaal beslag heeft gelegd is vernietigd, dient de executie alleen al op deze grond onmiddellijk te worden gestaakt en moet het beslag omgaand worden opgeheven. In dit verband wijs ik er ten overvloede nog op dat de akte van geldlening van 4 juli 2011 sowieso geen executoriale kracht heeft en geen sprake is van niet-nakoming van de akte, zodat ook op die gronden executie en executoriaal beslag niet mogelijk is. (…)”.
Een belangrijk element acht de rechtbank dat [broer 1 van appellant] de hoogte van de vordering(toev. hof: stand f 771.500,= per ultimo 1994)
heeft erkend. (r.o. 4.29 vs)
‘dat er in dit geval geen sprake was van een situatie als bedoeld in de voorgaande artikelen’. Verder blijkt dit onder meer uit rechtsoverweging 4.29 van het vonnis, waarin de rechtbank overwoog
‘dat [broer 1 van appellant] de hoogte f 771.500,= van de eerste vordering heeft erkend’en
‘dat de hoogte van de vordering aan de hand van de stukken die [broer 2 van appellant] had geadministreerd correct is/kan zijn vastgesteld (..)’.Wat betreft de [vordering op Vastgoed] en de 6% rente blijkt dit verder uit de betekenis die de rechtbank (r.o. 4.9 vs) heeft toegekend aan de verklaring van [broer 2 van appellant] dat hij met [broer 1 van appellant] vóór diens overlijden de administraties van alle vorderingen/schulden van [broer 1 van appellant] op en aan [appellant] en [geïntimeerde sub 1] heeft doorgenomen en dat [broer 1 van appellant] daarbij de [vordering op Vastgoed] en het berekenen van 6% rente heeft erkend.
uiterst subsidiair: dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, voor recht verklaart dat de akte van 4 juli 2011 geen executoriale titel oplevert en dat de executoriale beslagen van [geïntimeerde sub 1] worden opgeheven.