Appellante vordert in hoger beroep een passende schadeloosstelling van KBP wegens het niet tijdig kunnen realiseren van een recreatiebedrijf door wijziging van het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde dat appellante recht heeft op een passende schadeloosstelling, maar wees diverse vorderingen af, waaronder vergoeding van de koopprijs van een perceel en kosten ter voorkoming van belastingschade.
Het hof bevestigt dat de aankoopkosten van het perceel niet als schade kunnen worden beschouwd vanwege het ontbreken van een direct causaal verband en het ontbreken van vermogensverlies. Ook de accountantskosten voor belastingschade worden afgewezen omdat deze kosten ook zonder wijziging van het plan zouden zijn gemaakt.
Verder wijst het hof de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank heeft nog geen beslissing genomen over leges, kosten van landschappelijke inpassing en inkomensschade; het hof verwijst deze posten terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot op € 17.509,50. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 10 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken.