Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 21 augustus 2018 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;
- een brief van mr. Houtakkers van 28 januari 2019 met een bijlage (bijlage 1);
- een brief van mr. Houtakkers van 12 februari 2019 met de producties 24 t/m 27;
- een brief van mr. Schmidt van 28 februari 2019 met twee bijlagen (bijlagen 1 en 2);
- de comparitie van partijen gehouden op 28 februari 2019, waarbij partijen voornoemde producties en bijlagen in het geding hebben gebracht;
- het proces-verbaal van comparitie van 28 februari 2019;
- het ambtshalve royement van de procedure op de rolzitting van 2 juli 2019;
- een akte uitlaten voortgang van mr. Verfuurden, ingekomen ter griffie op 23 juli 2020, met het verzoek om de procedure te hervatten na mediation;
- de wijziging van de procesvertegenwoordiger van [appellant] op de rolzitting van 11 augustus 2020 (mr. Verfuurden in plaats van mr. Houtakkers);
- de akte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 25 augustus 2020 met de producties 21 t/m 23;
- de antwoordakte van [appellant] van 29 september 2020.
6.De beoordeling
- aan [geïntimeerde 1] : de onroerende zaken te [plaats 2] aan de [straatnaam] [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] , (destijds) kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie [sectieletter 2] nummer [sectienummer 3] ; en
- aan [geïntimeerde 2] : de onroerende zaken te [plaats 2] , [straatnaam] [huisnummer 4] en [huisnummer 5] , (destijds) kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie [sectieletter 2] nummers [sectienummer 4] en [sectienummer 5] .
Hierbij verklaart[hof: moeder]
dat[hof: [appellant] ]
voor het uitvoeren van de normale werkzaamheden voor de verhuurde/te verhuren panden in [plaats 2] per maand een tegemoetkoming ontvangt van 20 % van de per maand te ontvangen huur van de panden.
- onder
rov. 5.1 t/m 5.3: voor recht verklaard dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de nalatenschap van moeder zuiver hebben aanvaard, dat de akte waarin namens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is verklaard dat zij de nalatenschap van moeder verwerpen nietig is en dus geen rechtskracht toekomt en dat [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , als gevolg van de zuivere aanvaarding van de nalatenschap en krachtens de in het testament opgenomen ouderlijke boedelverdeling eigenaar zijn van de daarbij aan ieder van hen toegedeelde onroerende zaken, zodat:
rov. 5.4: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bevolen om samen met [appellant] over te gaan tot uitvoering van de ouderlijke boedelverdeling, in die zin dat zij overgaan tot vaststelling van de overbedelingsvorderingen die (eventueel) voortvloeien uit de door de moeder bij testament vastgestelde verdeling van de onroerende zaken en bevolen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hun medewerking dienen te verlenen aan het opstellen van een verklaring van erfrecht op straffe van een dwangsom; en
- onder
rov. 5.5: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bevolen om samen met [appellant] over te gaan tot verdeling van de nalatenschap met uitzondering van de tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen waarop de ouderlijke boedelverdeling betrekking heeft; en
rov. 5.5.1: heeft, alleen voor het geval partijen geen overeenstemming hierover bereiken, mr. [notaris 1] , notaris te Sittard , of diens waarnemer of opvolger, benoemd tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden, en
rov. 5.5.2: heeft mr. [notaris 2] , notaris te Sittard , tot onzijdig persoon benoemd om [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] bij de verdeling te vertegenwoordigen, indien zij zou weigeren of in gebreke zou blijven voor de notaris te verschijnen of medewerking aan de verdeling te verlenen.
In totaal is dit een bedrag van € 206.385,31.
ad a) voor wat betreft de vordering op de nalatenschap tot:
67in plaats van
80; en
- de ‘kosten project’ van € 11.344,51, en
- [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben eind 2010 ieder een bedrag van € 17.235,40 aan moeder geleend zodat moeder aan haar verplichting tot betaling van rente over haar schenkingen aan hen tot en met 2010 kon voldoen (fiscale redenen);
heeft met betrekking tot de privébetalingen geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, althans geen bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Bewijslevering is daarom niet aan de orde. Dit leidt ertoe de vordering van [appellant] met betrekking tot de privébetalingen als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen, zowel op de primair (art. 3:170 en Pro 3:172 BW) als op de subsidiair (art. 6:212 BW Pro) aangevoerde grondslag.