Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Het echtscheidingsvonnis is op 25 maart 1991 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het antwoord op die vraag is in de onderhavige zaak van belang omdat tussen partijen niet in geschil is dat een vordering ex artikel 3:178 BW Pro niet verjaart, terwijl een vordering ex artikel 3:179 lid 2 BW Pro verjaart na verloop van twintig jaren. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de vordering pas is ingesteld na verloop van meer dan twintig jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
De vordering is derhalve verjaard op 26 maart 2011. Gesteld noch gebleken is dat [de vrouw] de verjaring heeft gestuit.”
Art. 3:179 lid 2 BW Pro bepaalt dat de omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, alleen ten gevolge heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. Ook een dergelijke vordering tot nadere verdeling is een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed in de zin van art. 3:178 lid 1 BW Pro en uit dien hoofde dus niet aan verjaring onderhevig. Daarbij is niet van belang of het desbetreffende goed opzettelijk of onbedoeld is overgeslagen.
4.Beslissing
27 maart 2015.