Belanghebbende heeft meerdere aangiften BPM gedaan voor personenauto's met verschillende voertuigidentificatienummers en de aangegeven BPM-bedragen voldaan. Na bezwaar en uitspraak op bezwaar, waarbij gedeeltelijk teruggaaf werd verleend, stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, die de beroepen ongegrond verklaarde. Belanghebbende ging vervolgens in hoger beroep bij het hof.
Het geschil betreft de hoogte van de teruggaaf BPM, de vergoeding van rente over teruggaaf, de rechtmatigheid en hoogte van het geheven griffierecht, de beslissing over immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, de hoogte van proceskostenvergoeding en de vraag of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld dienen te worden.
Het hof overwoog onder meer dat de bewijslast niet bij de inspecteur ligt voor een hogere BPM-teruggaaf, dat geen extra leeftijdskorting wordt toegekend wegens ontbreken van kentekengegevens, en dat het beroep op artikel 16a Wet BPM 1992 niet leidt tot een lagere BPM. Het hof bevestigde dat artikel 28c Invorderingswet niet in strijd is met Unierecht, en dat het griffierecht terecht is geheven. Ook oordeelde het hof dat de immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding correct zijn vastgesteld en dat geen prejudiciële vragen gesteld hoeven te worden.
De weigering van gemachtigden om belanghebbende verder te vertegenwoordigen werd deels teruggedraaid, maar de oorspronkelijke gemachtigde bleef geweigerd. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.