In deze zaak staat de aansprakelijkheid centraal na een arbeidsongeval waarbij een werknemer van een aannemer viel met een ladder in het bedrijf van de opdrachtgever, wat leidde tot ernstig beenletsel. De zaak betreft een geschil tussen de verzekeraar van de werkgever en de aannemer over vrijwaring.
Het hof beoordeelt een incidentverzoek tot voeging van de onderhavige vrijwaringszaak met een aanhangige hoofdzaak tussen dezelfde partijen en met hetzelfde feitencomplex. Het hof stelt vast dat de zaken zodanig verknocht zijn dat een gezamenlijke behandeling en beslissing door dezelfde rechter gewenst is, mede vanwege het belang van een goede en doelmatige procesvoering.
De vordering tot voeging wordt toegewezen, waarbij het hof benadrukt dat de vorderingen zelfstandig blijven en partijen duidelijk moeten maken op welke zaak hun processtukken betrekking hebben. Omdat geen partij in het ongelijk wordt gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven van de zijde van de verzekeraar, en verdere beslissingen worden aangehouden. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021.