Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties1 en 2 in hoger beroep, ingekomen ter griffie op 1 juli 2021;
- een brief van [de werknemer] met de aantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 5 juli 2021;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met productie 29, ingekomen ter griffie op 22 juli 2021;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met productie 3, ingekomen ter griffie op 30 juli 2021;
- een brief van [de werknemer] met productie 4, ingekomen ter griffie op 28 september 2021;
- een brief van [de werkgever] met producties 30 tot en met 37, ingekomen ter griffie op 29 september 2021;
- een faxbrief van [de werknemer] met bezwaar tegen de door [de werkgever] op 29 september 2021 overgelegde producties ingekomen ter griffie op 1 oktober 2021;
- de faxbrief van 5 oktober 2021 van [de werkgever] met daarbij een pleitnota;
- de ter zitting door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen;
- de ter zitting door [de werknemer] overgelegde stukken, te weten een aan de spreekaantekeningen gehechte e-mail van 14 september 2021 en een op 6 oktober 2021 gedateerde schriftelijke verklaring van [de werknemer] .
3.De beoordeling
mede door Covid-19 zijn de werkzaamheden welke horen binnen de functie niet langer relevant”.
Wij zijn van mening dat werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat er organisatorische veranderingen ten grondslag liggen aan het verval van de arbeidsplaats van werknemer. Wij komen tot deze conclusie op grond van de volgende overwegingen.
€ 25.000,- bruto.
€ 262.921,00 aan gemiste inkomsten tot gevolg heeft. Aan pensioenschade maakt [de werknemer] aanspraak op € 23.524,90 (30 procent van bedrag dat hij aan pensioen had kunnen opbouwen en inleggen tot 68 jaar), althans op € 15.683,25 (uitgaande van 3 jaar).