Uitspraak
5.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6990545 18-3733)
6.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep tevens incident tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis ex art. 351 Rv Pro, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in het incident;
- de memorie van grieven, met producties 1 en 2;
- het arrest in het incident van 8 oktober 2019;
- de memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, met producties 16 tot en met 19;
- de memorie van antwoord inzake voorwaardelijk incidenteel appel;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de ter gelegenheid van het pleidooi door partijen in het geding gebrachte producties, te weten producties 6 tot en met 12 aan de zijde van [appellante] en producties 20 tot en met 22 aan de zijde van de Gemeente.
7.De beoordeling
2. De feitenvan het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De grieven van [appellante] zijn niet gericht tegen deze feitenvaststelling. Ook volgens de Gemeente moet de daar genoemde feiten als vaststaand worden beschouwd. Het hof zal deze feiten hierna weergeven.
4.Conclusie
Het aantreffen van 4160 gram wiet bij een bedrijf in een loods en op zijn bedrijfsterrein is een zeer ernstige zaak. De hoeveelheid softdrugs die je voor eigen gebruik mag hebben bedraagt 5 gram. Deze grote partij die nu is aangetroffen is dan ook een voorraad waarvan je kunt zeggen dat deze dient om de lokale dealers van softdrugs te voorzien van wiet voor de verkoop aan hun gebruikers.
5.Aanbevelingen/gewenste maatregelen
Op grond van bovengenoemde informatie geeft de Eenheid Oost-Brabant de Gemeente in overweging om het bestuurlijk instrumentarium te gebruiken met betrekking tot hetgeen is geconstateerd, bijvoorbeeld door:
6.Opmerking verbalisant
“Hierbij ontbindt de Gemeente dan ook buitengerechtelijk de beide huurovereenkomsten betreffende het gebruik van het Perceel (de grond en de groenstroken) met onmiddellijke ingang vanwege de sluiting door de burgemeester dan wel het tekort schieten in uw verplichtingen, althans kondigt zij hierbij aan een vordering ontbinding van de overeenkomsten te zullen instellen.”. De Gemeente heeft [appellante] ook gesommeerd de percelen binnen zes weken na de brief leeg en ontruimd op te leveren. [appellante] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.
gebruikvan het
perceeleen vergoeding van
240 guldenverschuldigd is. Ook geeft de Gemeente in sub 3 van de brief aan dat bij het verlaten van het perceel het gehele perceel dient te worden ontruimd en in ordelijke staat dient te worden opgeleverd. Ten slotte geeft de Gemeente aan dat [de overleden echtgenoot van appellant] , voordat hij tot plaatsing van de woning overgaat, in moet stemmen de daarvoor genoemde voorwaarden van plaatsing. Verder voert de Gemeente aan dat op alle facturen die tussen 1971 en heden aan [de overleden echtgenoot van appellant] en [appellante] zijn gestuurd, stond:
Huur grond [adres 1](er stond nooit of te nimmer
Huur woning [adres 1]).
state of the artbeveiligingscamera’s. Verder acht het hof het niet waarschijnlijk dat [appellante] niet wist van de strafrechtelijke veroordelingen van haar zoons, in aanmerking genomen dat zij op het perceel verbleven en hiervan ook gebruik maakten. Indien [appellante] daarvan niet op de hoogte was, had zij er in elk geval ernstig rekening mee moeten houden dat het perceel voor illegale/criminele doeleinden gebruikt zou worden. [appellante] heeft evenwel nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van haar te verlangen maatregelen te treffen. Gesteld noch gebleken is dat zij hiertegen op enigerlei wijze is opgetreden. Geoordeeld moet worden dat [appellante] zich zelf niet als een goed huurder heeft gedragen. De stelling van [appellante] dat zij en haar zoons niet wisten van de aangetroffen hennep doet daaraan niet althans onvoldoende af. Om die reden kan [appellante] zich in de gegeven omstandigheden niet aan de verantwoordelijkheid onttrekken dat op haar perceel geen verboden goederen worden opgeslagen. Dat, naar [appellante] stelt, een groot deel van de aangetroffen goederen aan haar is teruggegeven, maakt het voorgaande niet anders. Dit gold in elk geval niet voor de pepperspray in de woning van [appellante] , het illegale vuurwerk en de 4.160 gram wiet.