ECLI:NL:GHSHE:2021:3720

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
200.295.249_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 126 RvArt. 353 lid 1 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan vervroeging roldatum door eiser in hoger beroep kort geding

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een vonnis in een kort geding en wenste zij de roldatum te vervroegen middels een anticipatie-exploot. Volgens artikel 126 Rv Pro is het echter alleen aan de gedaagde toegestaan om de roldatum te vervroegen. Geïntimeerden verzetten zich dan ook tegen deze vervroeging.

Appellante voerde aan dat zij een evident belang heeft bij vervroeging, omdat de bodemzaak inmiddels is afgerond en alle tegen haar ingestelde vorderingen zijn afgewezen. Het hof overwoog dat de wetgever niet heeft voorzien in een mogelijkheid voor eiser om de roldatum te vervroegen, maar erkende het belang van appellante bij een spoedige behandeling.

Geïntimeerden konden niet aantonen dat zij onredelijk in hun belangen zijn geschaad door de vervroeging. Daarom stond het hof toe dat appellante de zaak vervroegd op de rol brengt. De zaak is verwezen naar de rol voor memorie van antwoord en verdere beslissingen zijn aangehouden.

Uitkomst: Het hof staat toe dat eiser de roldatum vervroegt wegens evident belang en geen onredelijke belangenbeschadiging van gedaagde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.295.249/01
arrest van 14 december 2021
gewezen in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,
tegen

1.[de vennootschap 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2.
[de Holding B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3.
[Haarstudio B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4.
[Holding BVBA],
gevestigd te [vestigingsplaats] België,
5.
[de vennootschap 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. H.P. Kamerbeek te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 16 december 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 24 november 2020, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen appellante – [appellante] – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/377977 / KG ZA 20-568)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • het anticipatie-exploot van 31 mei 2021;
  • de memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, met producties;
  • de rolbeslissing van 15 juni 2021;
  • de akte van [appellante] ;
  • de antwoordakte van [geïntimeerden]
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De beoordeling

3.1.
Bij appeldagvaarding van 16 december 2020 heeft [appellante] tijdig hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis en [geïntimeerden] opgeroepen te verschijnen ter rolzitting van het hof op 12 september 2023. Vervolgens heeft [appellante] op 31 mei 2021 - onder instandhouding van de appeldagvaarding - wederom een exploot doen uitbrengen ('anticipatie-exploot') waarbij zij [geïntimeerden] vervroegd heeft opgeroepen tegen de rolzitting van 8 juni 2021. In het exploot is vermeld:
" [appellante] wenst de procedure thans bij vervroeging aan te brengen bij het gerechtshof en wenst dan ook de roldatum te vervroegen."
3.2.
[geïntimeerden] hebben op de rolzitting van 8 juni 2021 advocaat doen stellen. In het desbetreffende H2-formulier heeft hun advocaat vermeld:
"Geïntimeerden zijn niet akkoord met die vervroeging, zij hebben daar niet mee ingestemd en zullen daartegen bezwaar maken. Dat hierboven de roldatum van 8 juni 2021 is ingevuld, kan expliciet niet als een erkenning van de vervroeging van de roldatum bij anticipatie-exploot worden gezien."
Bij rolbeslissing van 15 juni 2021 is [appellante] in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte uit te laten.
3.3.
[appellante] heeft bij akte gewezen op de uitspraak van het hof Amsterdam van 20 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6405. [appellante] leidt uit dit arrest af dat zij [geïntimeerden] wel degelijk tegen een eerdere roldatum kon oproepen. Het bij vervroeging aanbrengen van de appelprocedure was niet in strijd met een goede procesorde of enig ander rechtsbeginsel en [geïntimeerden] zijn daardoor niet in hun (verdedigings)belangen geschaad, aldus [appellante] .
3.4.
Bij antwoordakte hebben [geïntimeerden] hiertegen aangevoerd dat de wet (artikel 126 Rv Pro) slechts aan de gedaagde/geïntimeerde de bevoegdheid tot anticipatie (het vervroegen van de eerste rechtsdag) toekent. Een eiser/appellant heeft die bevoegdheid niet. De door [appellante] aangehaalde uitspraak van hof Amsterdam, die geen enkele steun vindt in rechtspraak of literatuur, is dan ook onjuist, aldus [geïntimeerden]
3.5.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 126 lid 1 Rv Pro, dat ingevolge art. 353 lid 1 Rv Pro ook in hoger beroep geldt, luidt als volgt:
"1. De gedaagde kan de roldatum, vermeld in het exploot van dagvaarding, vervroegen door aan de eiser bij exploot een vroegere roldatum te doen aanzeggen, met vermelding van het uur indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, wordt hierbij tevens advocaat gesteld."
De wetgever heeft er niet in voorzien om ook aan eiser/appellant de mogelijkheid te bieden de rechtsdag te vervroegen nadat eenmaal de (appel)dagvaarding is uitgebracht. Daarbij kan echter wel degelijk belang bestaan. [appellante] heeft in dit verband aangevoerd dat zij bij het instellen van het hoger beroep weliswaar zelf heeft gekozen voor een ver in de toekomst liggende rechtsdag, te weten 12 september 2023, maar dat zij dat heeft gedaan teneinde zich met haar nieuwe advocaat eerst te kunnen concentreren op de behandeling van de aan dit kort geding gelieerde bodemzaak. Inmiddels is in de bodemzaak eindvonnis gewezen.
Het hof heeft kennisgenomen van het eindvonnis van de rechtbank in de bodemzaak van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:2527). Alle tegen [appellante] ingestelde vorderingen zijn in dat vonnis afgewezen. Gelet daarop heeft [appellante] thans een evident belang bij een spoedige behandeling van het onderhavige kort geding, waarin het onder meer gaat om een ter verzekering van die vorderingen ten laste van [appellante] gelegd conservatoir loonbeslag.
3.6.
[geïntimeerden] hebben weliswaar gemotiveerd en grondig onderbouwd bepleit dat voor een eisende/appellerende partij niet de mogelijkheid van anticipatie ter beschikking staat, maar zij hebben daarbij niet toegelicht welk verder belang zij hebben bij hun verzet tegen de vervroeging van de eerste roldatum. [geïntimeerden] hebben niet aangevoerd dat zij onredelijk in hun belangen zijn geschaad door de vervroeging van de roldatum. Gelet daarop, en op het evidente belang van [appellante] bij een spoedige behandeling van dit kort geding, zal het hof de vervroegde oproeping in het onderhavige geval toestaan.
3.7.
[geïntimeerden] hebben zich er nog op beroepen dat aan [appellante] niet het recht toekomt om een anticipatie-exploot in te doen schrijven op de rol.
Dit verweer faalt reeds nu het hof op grond van het voorgaande van oordeel is dat [appellante] heeft mogen anticiperen. Dit zou geen betekenis hebben indien [appellante] in vervolg daarop afhankelijk zou zijn van [geïntimeerden] om de zaak op de rol in te schrijven.
3.8.
Nu [appellante] reeds haar memorie van grieven heeft genomen zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 11 januari 2022 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerden] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 december 2021.
griffier rolraadsheer