In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een vonnis waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in GBL was vastgesteld op €79.118,67. De betrokkene werd eerder veroordeeld voor het samen met anderen voorbereiden en verrichten van de verkoop en levering van GBL in de periode van oktober 2013 tot februari 2014.
Het hof onderzocht de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van een ontnemingsrapportage, waarbij factoren als de verkochte hoeveelheid GBL, inkoop- en verkoopprijzen en kosten werden betrokken. Het hof verwierp de stellingen van de verdediging over de afzethoeveelheid en stelde vast dat de extrapolatie van de dagomzet over de gehele periode gerechtvaardigd was.
De totale verkoop werd vastgesteld op 1.517,60 liter tegen een gemiddelde verkoopprijs van €160 per liter, met inkoopkosten en overige kosten in mindering gebracht. Het voordeel werd pondspondsgewijs toegerekend aan de betrokkene en zijn medebetrokkene, resulterend in een bedrag van €52.162 voor de betrokkene.
Het hof weigerde de waarde van een verbeurdverklaarde auto in mindering te brengen op de betalingsverplichting omdat deze auto niet als opbrengst van het strafbare feit werd aangemerkt. Verder werd de betalingsverplichting gematigd met 20% vanwege overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep. Tot slot bepaalde het hof de maximale duur van gijzeling op 834 dagen, conform de wettelijke richtlijnen.