Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
13 februari 2024.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van GBL. Het hof had onder meer de waarde van een personenauto, die ex art. 33a.1.c Sr was verbeurdverklaard, niet in mindering gebracht op de betalingsverplichting.
In cassatie stelde de betrokkene dat het hof ten onrechte de waarde van de auto niet had verrekend. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het vonnis, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het vonnis konden leiden en dat het niet nodig was om de rechtsvragen nader te motiveren. Wel stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de betalingsverplichting rechtvaardigde.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofuitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, stelde deze vast op €36.760 en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €36.760 wegens overschrijding van de redelijke termijn.