Uitspraak
- voornoemde beschikking in beide zaken van 16 juli 2020, waarbij [de werkgever] in de gelegenheid is gesteld om in beide zaken een verweerschrift in te dienen;
- het op 11 september 2020 bij de griffie binnengekomen verweerschrift met zeven producties in de zaak met nummer 200.274.047/01;
- het op 11 september 2020 bij de griffie binnengekomen verweerschrift met tien producties in de zaak met nummer 200.274.048/01;
- een akte overlegging producties C, D en E van [de werknemer] in beide zaken, ingekomen ter griffie op 7 januari 2021;
6.De verdere beoordeling
€ 1.931,87 bruto per maand te vermeerderen met € 347,74 bruto per maand aan ploegentoeslag.
Deze redenen betreffen zoals aangegeven het u toe-eigenen van eigendommen waarvan u wist dat deze niet aan u maar aan een collega of [de werkgever] B.V. toebehoren en het, als gevolg hiervan en uw agressieve gedrag, onherstelbaar schaden van het vertrouwen tussen werkgever en werknemer en tussen u als werknemer en uw collega’s onderling.”
Of [de werknemer] het pak koekjes heeft weggenomen van de tafel om mee naar huis te nemen of om te bewaren om later op te eten (met de middagploeg) kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. Of hij het pak koekjes in de la van het kastje heeft gelegd of in zijn tas in het kastje op een plank onder die la kan eveneens in het midden blijven. Zelfs indien [de werknemer] het pak koekjes zou hebben weggenomen om mee naar huis te nemen en in zijn tas zou hebben gestopt, dan vormt dat naar het oordeel van het hof in dit geval geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in de ontslagbrief geen eerdere gedragingen van [de werknemer] staan genoemd. Het hof mag alleen meewegen wat in de ontslagbrief staat genoemd en dient daarom bij de toets of sprake is van een dringende reden ervan uit te gaan dat dit incident op zich stond.
Het meenemen van een van de pakken koekjes die meermaals per week werden weggegeven door een relatie van [de werkgever] en door de chauffeur van [de werkgever] in de kantine werden gelegd om uit te delen aan het personeel, wijkt af van de situatie dat een werkgever haar personeel in de kantine van levensmiddelen voorziet. Daarbij komt dat tenminste twee andere personen gezien hun verklaring meenden dat de koekjes mochten worden gepakt en/of meegenomen. Niet (voldoende) gesteld of gebleken is dat [de werkgever] voldoende heldere regels heeft opgesteld rond het pakken van deze koekjes in de kantine. [de werknemer] heeft naar het oordeel van het hof in deze omstandigheden niet hoeven beseffen dat het mee naar huis nemen van de koekjes door [de werkgever] als diefstal (van bedrijfseigendom) zou worden bestempeld en tot ontslag op staande voet zou kunnen leiden. De algemene waarschuwing dat diefstal zal leiden tot ontslag op staande voet naar aanleiding van een voormalig collega die zijn werktijd gebruikte om zijn eigen onderneming op te zetten en daarbij intellectueel eigendom van [de werkgever] zou hebben gestolen is daarvoor onvoldoende omdat dit een geheel andere context betreft. Evenmin heeft [de werknemer] dit kunnen of hoeven afleiden uit de waarschuwing dat een sanctiebeleid geldt voor het niet naleven van de (veiligheids)regels en dat het uitschakelen van het veiligheidsmechanisme van een machine kan leiden tot ontslag op staande voet. Dat [chauffeur] [de werknemer] al eerder in het verleden zou hebben aangesproken “omtrent het wegnemen van iets” merkt het hof tot slot ook niet aan als een voldoende duidelijke instructie vanuit de werkgever. De gang van zaken met betrekking tot de koekjes was op zijn minst onduidelijk. Dat komt in dit geval voor risico van [de werkgever] .
7.De beslissing
- veroordeelt [de werkgever] tot betaling van de transitievergoeding aan [de werknemer] ;
- veroordeelt [de werkgever] tot betaling van een billijke vergoeding van € 3.500,- bruto aan [de werknemer] ;
- veroordeelt [de werkgever] in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot deze kosten aan de zijde van [de werknemer] op € 81,- aan griffierecht en op € 400,- aan salaris gemachtigde;
- veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep voor zover het de zitting van 12 juni 2020 en de daaraan voorafgaande uitlating van partijen betreft en begroot deze kosten aan de zijde van [de werkgever] op € 2.228,- aan salaris advocaat (2 punten van tarief II);
- veroordeelt [de werkgever] in de overige proceskosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van [de werknemer] op € 332,- aan griffierecht en op € 2.228,- aan salaris advocaat (2 punten van tarief II);
- wijst af het anders of meer in hoger beroep verzochte.
- wijst de verzoeken van [de werkgever] af;
- veroordeelt [de werkgever] in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot deze kosten aan de zijde van [de werknemer] op € 210,- aan salaris gemachtigde;
- veroordeelt [de werkgever] in de overige proceskosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van [de werknemer] op € 332,- aan griffierecht en op € 787,- aan salaris advocaat (1 punt van tarief I).