Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 11 t/m 23, ingekomen ter griffie op 27 juli 2020;
- een brief van [de werknemer] met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 20 mei 2020, ingekomen ter griffie op 13 augustus 2020;
- een brief van [de werknemer] met de rectificatiebeschikking (productie 24), ingekomen ter griffie op 17 september 2020;
- het verweerschrift met producties 1 t/m 5, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2020;
- een brief van [de werknemer] met producties 25 t/m 27, ingekomen ter griffie op 28 december 2020;
3.De beoordeling
“(…) Deze onverwachte stap van jullie heeft mij dermate geraakt dat ik nu niet in staat ben om te werken. Op advies van mijn huisarts meld ik mij dan ook bij deze ziek.”.3.1.5. [directeur] heeft gereageerd met een e-mail van 17 juli 2019 om 16:10 uur, waarin zij [de werknemer] schrijft:
“(…) Ik constateer dat je niet ziek bent, maar je niet prettig voelt bij de situatie. Daarover zullen wij met elkaar in gesprek moeten. Dit is namelijk geen reden om je werkzaamheden niet te verrichten. Ik nodig je dan ook uit om morgenochtend, 18 juli a.s., om 10.00 uur bij mij op kantoor aanwezig te zijn. Op dat moment kunnen we het gesprek voeren over de thans ontstane situatie. Tot morgen.”3.1.6. Bij e-mail van 17 juli 2019 om 18:48 uur heeft [de werknemer] [directeur] bericht dat hij het advies van zijn huisarts om niet te gaan werken opvolgt en dat hij daarom de volgende dag niet naar kantoor komt.
“(…) Zoals ik in mijn eerste mail aangaf accepteer ik die ziekmelding niet. Je bent niet ziek, je voelt je niet prettig bij de situatie. Dat kan. Zoals gezegd zullen we daarover het gesprek met elkaar dienen te voeren. (…) Verschijn je morgenochtend niet, dan merk ik dat aan als werkweigering. Daar zijn consequenties aan verbonden. Een van die consequenties kan zijn dat je op staande voet wordt ontslagen. Met die optie dien je serieus rekening te houden. Ik ga ervan uit dat je het niet zover laat komen en zie je morgen om 10.00.”
“(…) Ik ben op dit moment niet in staat de bedongen arbeid te verrichten wegens medische beperkingen. U geeft aan dat u mijn ziekmelding niet accepteert en mij sommeert om op 10 uur op kantoor te komen. U mag als werkgever geen oordeel vellen over mijn arbeidsongeschiktheid. (…) Ik verzoek u dan ook zo spoedig mogelijk een bedrijfsarts in te schakelen, zodat wij een plan van aanpak kunnen maken voor mijn re-integratie. Ik ben dan natuurlijk bereid om re-integratiewerkzaamheden te verrichten, als de bedrijfsarts dat verstandig acht. Het door u gewenste gesprek zal ik graag voeren zodra ik daartoe in staat ben. (…)”3.1.9. [de werkgever] heeft [de werknemer] bij brief van haar advocaat van 18 juli 2019 op staande voet ontslagen. De advocaat van [de werkgever] heeft in deze brief onder meer aan [de werknemer] geschreven:
“(…) Gister bent u, ondanks herhaald verzoek van cliënte om met haar een gesprek te voeren en bij haar op kantoor te verschijnen, niet verschenen. U heeft uw werk geweigerd. Op die grond ontsla ik u namens cliënte op staande voet. (…)”
“(…)Stand van zaken/advies(…) Gelet op de aard van de klachten bij ziekmelding constateer ik dat er pas in een laat stadium een afspraak bij de bedrijfsarts is gemaakt. (…)Functionele mogelijkheden en beperkingenMet name beperkingen op het gebied van persoonlijk functioneren, zien en energetische belastbaarheid.Re-integratie adviesWn acht ik zeer beperkt belastbaar voor bijv. 2x 1-2 uur/week in aangepaste werkzaamheden.Gelet op de aard van de problematiek bij de huidige werkgever (wn ervaart dit als een arbeidsconflict) acht ik terugkeer, ook vanuit preventieve overwegingen, in zijn huidige functie nu niet haalbaar.(…)”
10 januari 2020 opmaakt dat [de werknemer] de arbeidsovereenkomst wil beëindigen.
Het voorstel van [de werkgever] is niet geaccepteerd door [de werknemer] . [de werkgever] heeft [de werknemer] daarop alsnog uitgenodigd voor een gesprek.
4.4. De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan
5.De verzoeken in hoger beroep
6.De beoordeling in hoger beroep
“Het algehele beeld is redelijk. [de werknemer][hof: [de werknemer] ]
doet zijn werk redelijk goed, is een gewaardeerde collega en levert een redelijk goede bijdrage aan het succes van de onderneming.”.Dat duidt er niet op dat [de werknemer] onvoldoende functioneerde of dat hij op korte termijn moest vrezen voor het einde van zijn dienstverband. Stukken waaruit blijkt dat er een traject is doorlopen om het functioneren van [de werknemer] te verbeteren, zoals [de werkgever] heeft gesteld en [de werknemer] gemotiveerd heeft betwist, ontbreken eveneens in het procesdossier. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt alleen van een traject om de omzet van de showroom te verhogen, waaraan [de werknemer] heeft meegewerkt.
werken.
“Bovengenoemde patiënt heb ik gisteren gezien op mijn spreekuur. Hij is momenteel niet in staat om zijn werkzaamheden uit te voeren.”Het had derhalve op de weg van [de werkgever] gelegen om na de ziekmelding van [de werknemer] de bedrijfsarts in te schakelen in plaats van te dreigen met een ontslag op staande voet, zeker na ontvangst van genoemde e-mail van 18 juli 2019.
“De rechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3,